Oude mannen die schilderen als jonge honden

Op een reizende tentoonstelling, nu in Stuttgart, zijn late schilderijen te zien van Cy Twombly, William Turner en Claude Monet. Er zijn meer associatieve overeenkomsten dan kunsthistorische. Op zoek naar de huiveringwekkende schoonheid van het sublieme.

Sun Setting over a Lake

Het was een onmogelijke liefde, wisten jongeling Leander en priesteres Hero, wonend aan weerszijden van de Hellespont. Maar liefde maakt vindingrijk. Elke avond stak Hero een fakkel aan, zodat haar minnaar het water over kon zwemmen. Tot op een kwade avond een storm opstak die Hero’s vuur doofde. Leander kon de overkant niet vinden en verdronk. Toen Hero zijn levenloze lichaam zag drijven, stortte ze zich in het water om hem te volgen in de dood.

De Amerikaan Cy Twombly (1928-2011) verbeeldde de mythe in vier enorme schilderijen, groots en meeslepend. Op het linkerdoek bruisen de golven in expressieve verf, waarna ze overgaan in heel veel wit – de stilte en oneindigheid van de dood. In de Staatsgalerie in Stuttgart hangt dit vierluik uit 1984 in onverwacht gezelschap: zeegezichten van de Engelse romantische schilder William Turner (1775-1851) en de Franse impressionist Claude Monet (1840-1926). Een reizende tentoonstelling combineert late schilderijen van dit drietal op meer associatieve dan kunsthistorische overeenkomsten – ze hebben elkaar nooit gekend. Het is een gevoel van verwantschap, en dat gevoel overtuigt. Hun zeegezichten delen de huiveringwekkende schoonheid van het sublieme, een schoonheidsbegrip dat in Turners tijd een reactie was op gezapige landschapjes. De snel veranderende wereld vroeg om nieuwe beelden, zoals Turners doeken, waar zeeën nooit kabbelen. Daarin verbeeldde de sombere schilder mythische catastrofes, net als Twombly later deed, maar dan als waarschuwing dat ook het Britse rijk zou instorten.

Stormvloed van verf

Turner schilderde vooral atmosferen, zei hij, net zoals Monet later, in mistige vergezichten waar je de dauw in de lucht voelt hangen. Beiden neigden bij het ouder worden meer richting abstractie, ondanks geldende klassieke regels. Als herkenbare details ontbraken, excuseerde Turner zich daarvoor – half grappend waarschijnlijk. Inderdaad raast in zijn bijbelse zondvloed zo’n storm van verf en razernij over het doek, dat water, lucht of ark nog nauwelijks te onderscheiden zijn. Zelf was Turner ook niet bang van natuurgeweld. Tijdens een reis door de Alpen kantelde zijn rijtuig in een sneeuwstorm. Ook pochte hij dat hij zich had laten vastbinden aan een scheepsmast in een storm – iets wat kunsthistorici betwijfelen.

Turner en Twombly, grootheden uit verschillende tijden, waren de meesters van grootse drama’s en verlammende stiltes. Monet daarentegen, de publiekslieveling die van de tentoonstelling een blockbuster kan maken, is de man van de lieflijke lelies. Nooit zou de op comfort gestelde Monet, die het liefst met chauffeur reisde, zich aan een mast laten binden. Toch stelt de expositie dat brave imago bij. Bij Monet wordt het kolkende water een zee met ruwe rotsen die donker contrasteren met de sprankelend oplichtende golven. Een seksueel beeld, zeggen de tentoonstellingsmakers in een nogal speculatieve theorie, dat de rotsen fallisch de vrouwelijke zee – ‘la mer’ – penetreren.

Erotisch of niet, Monet deelt met zijn mede-exposanten levenskracht, net als natuur, licht, grandeur – en misschien machismo. Maar er is nog iets: toen die jonge honden deze schilderijen maakten, waren ze al grijze mannen.

Later Paintings is de ondertitel van de expositie. Alledrie bleven ze schilderen tot hun dood – voorbij de zeventig, tachtig jaar oud. Dat is interessant: is er iets wat ‘laat werk’ kenmerkt? Zorgt levenservaring dat kunstenaars vrijer schilderen, zich niet meer druk maken wat anderen vinden, de essentie van het leven vinden en samenvatten?

Zulke vragen kunnen door je hoofd spoken als je door het museum wandelt. Turner en Monet leefden in tijden waarvoor ze te modern waren – ondanks kritieken hielden ze vol. Twombly daarentegen woonde in New York in de hoogtijdagen van het abstract expressionisme, waar zijn werk op aansloot. Toch oogstten zijn abstracties hoon. Dat had een louterend effect. Hij vertrok uit Amerika om in Rome een teruggetrokken leven te gaan leiden. Het leverde een tegelijk uitbundige en ingetogen kunst op zoals zijn Orpheus. Een grote O, waarna de naam in witte verf gesmoord wordt, de hartenkreet van Euridyce die haar geliefde verloor in de onderwereld. Heroïsch of poëtisch – dit werk doet niet zijn best om begrepen te worden, daar had Twombly intussen lak aan.

Misschien is het ontstijgen van kritiek en een hang van poëzie iets wat groeit met de ouderdom. Alleen, wanneer ben je een ‘oudere kunstenaar’? Nu leven mensen langer, kunstenaars hoeven niet met pensioen – Hans Hofmann was op zijn tachtigste nog hot, Louise Bourgeois zelfs tot ver in de negentig. Volgens de catalogus drukten in Turners tijd kindersterfte en oorlogen de levensverwachting maar wie dat overleefde kon nog lang leven. Wel gold je op je zestigste als professioneel uitgerangeerd, iets wat bij Monet al anders zou zijn. Dat zie je: zijn grote late doeken zijn eindeloos, een victorie van een meester die tot wasdom komt. Al eist late kunst zijn tol: met in zijn goede oog nog maar 10 procent zicht schilderde Monet op zijn gevoel die blauwen en gelen, bewegende waterplanten, golvende waterspiegels.

Ondanks zijn lenteachtige kunst was Monets leven steeds zwaarder geworden. In tumultueuze jonge jaren was hij tijdens de Frans-Duitse oorlog naar Londen gevlucht, schuldeisers en dienstplicht ontlopend. Daar bewonderde hij Turners stadsgezichten, waarvan hij zich later distantieerde, vermoedelijk om origineler en vernieuwender te lijken toen hij zelf de Theems portretteerde. Een ondergaande zon lijkt de parlementsgebouwen in brand te zetten. Bij Turner zou dit een politieke ondertoon betekenen, bij Monet gold het als een combinatie van licht en smog – zei hij.

Maar of het nu komt door de bloedende drama’s van zijn mede-exposanten, in Stuttgart wankelt het beeld van dat rationele impressionisme. In Londen voltooide Monet de stadsgezichten op Venetië waar hij drie jaar eerder met zijn vrouw was, voordat ze ernstig ziek werd. Hij zorgde voor haar, ze stierf, hij stortte zich op de Italiaanse herinneringen. Kan kunst dan echt nog over waarneming gaan? Valt de avondgloed over de Venetiaanse baai dan niet vanzelf samen met een onbeschrijflijk en alles verterend verdriet?

De dood is altijd dicht bij Turner en Monet geweest. Zelf werden ze oud, hun kinderen en vrouwen stierven. Hoe is het om dan door te werken? Van Beethoven wordt gezegd dat hij componeren op het laatst een kwelling vond. Monet zou vooral veel vernietigen, boos om de oorlog, depressief door het leven, terwijl Turner melancholisch bleef schilderen. Een verstild en weids landschap bij Waterloo kleurt bloedrood door de avondzon – Napoleon staat er verslagen, eenzaam, omgeven door een verpletterende leegte.

Nostalgisch

De oude Twombly gaf toe nostalgisch te zijn, bezig met boten en de natuur. Dat laatste geldt ook voor Monet en Turner, die in de slotzaal innig samenkomen. De zon lijkt bij Turner altijd onder te gaan, zelfs bij een zonsopkomst – ‘de zon is God’ waren zijn laatste woorden op zijn sterfbed. Monets waterlelies zijn omgeven door vibrerend water dat als nooit tevoren het licht vangt, dat hij zelf nauwelijks nog kon zien.

En als je je dan in die laatste zaal omdraait en langs de lange zichtas van de museumvleugel blikt, kijk je zes zalen verder recht in een spiralend schilderij van Twombly. Voor deze grande finale was hij, 81 jaar oud, een ladder opgeklommen om met bloedrode verf enorme spiralen te kwasten, gauw gauw, het doek vullend voor de dood hem kon inhalen.

Tentoonstelling: Turner, Monet, Twombly: Later Paintings, t/m 28 mei in de Staatsgalerie Stuttgart, Duitsland. Meer info: www.staatsgalerie.de

    • Sandra Smets