Macher Mario Monti

Premier Mario Monti van Italië kan geen kwaad doen. De partijloze regeringsleider, die het puin moet ruimen dat met name zijn voorganger Silvio Berlusconi had veroorzaakt, wordt door 60 procent van de burgers gesteund. Berlusconi staat op 22 procent. Populairder dan Monti is een politicus in Italië de laatste jaren zelden geweest. Omgekeerd is het vertrouwen er in partijen tot een dieptepunt gedaald. Nog maar 4 procent zegt op politieke partijen van links en rechts te durven rekenen.

Deze ongekende discrepantie laat zich vrij makkelijk verklaren. Het vertrouwen in de premier Monti als persoon en het misnoegen over de politieke partijen als staatsburgerlijke instituties horen bij elkaar als communicerende vaten. De premier is populair omdat hij in in het vermolmde Italië in drie maanden meer heeft weten te hervormen dan alle politieke partijen bij elkaar in drie decennia.

Deze kloof tussen de premier en de gevestigde politiek heeft wortels in de specifieke geschiedenis van Italië. De partijpolitiek wordt er gekenmerkt door cliëntelisme en corruptie.

Bovendien heeft Italië een halve eeuw lang, tussen 1948 en 1996, op hoofdlijnen maar één soort regeringscoalitie gehad. Steeds vormden christen-democraten en conservatieven de spil. Al die tijd wist (ex-)communistisch links nooit tot de regering door te dringen. Deze eenzijdigheid heeft de politieke cultuur ook na de Koude Oorlog belast. Berlusconi was er een van de resultaten van.

Maar de rijzende ster van Monti is niet louter toe te schrijven aan uniek Italiaanse toestanden. De kredietcrisis heeft over een bredere linie een partijpolitieke vertrouwensbreuk blootgelegd.

Hoe verschillend de maatschappelijke achtergronden ook zijn, er loopt een rode draad tussen de Occupy-beweging in New York, de tentenkampen op de pleinen in Spanje en zelfs het ongebreidelde geweld in Athene. De demonstranten zeggen iets als: de bestuurlijke macht is ons mandaat kwijt. De steun voor Monti is een variant daarop. Juist omdat geen partijbanden heeft, wordt hij vertrouwd en krijgt hij een jaar de almacht.

De protesten en de steunbetuigingen zijn een uiting van een gebrek aan maatschappelijke representativiteit. Volgens de Chinese letterkundige Wang Hui, ooit door het Amerikaanse blad Foreign Policy geschaard onder de honderd belangrijkste intellectuelen ter wereld, is overal het gevoel dominant dat de burgers niet meer worden vertegenwoordigd, door welk politiek systeem dan ook.

Dat is in China zeker waar, maar voor Europa al te provocerend. Vaststaat niettemin dat ook in stabiele democratieën de lacunes in de representativiteit groter worden. De historicus J.W. Oerlemans stelde in 1990 vast dat slechts 4 procent van de Nederlanders lid was van een politieke partij en dat 10 procent daarvan actief was, kortom, dat 0,4 procent van de kiezers invloed had op de overheid.

De balans is er niet beter op geworden. De partijen zijn daar zelf debet aan, ook buiten Italië. De meeste partijen verwaarloosden hun functie als vereniging van vrije burgers op zoek naar vertegenwoordiging en macht. Ideeënvorming werd ondergeschikt aan strijd om posities. Partijen werden uitzendbureaus voor politiek personeel. Nu door de crises blijkt dat dit personeel geen goed werk heeft geleverd, lijken het zinledige organisaties geworden.

Want democratie is meer dan de kans krijgen om vrijelijk te stemmen, al zouden sommige Chinezen daar al blij mee zijn. Een democratie staat of valt met staatsburgers die vaker dan eens per vier jaar betrokkenheid tonen. Vroeger boden politieke partijen daarvoor bij uitstek het podium. Nu zijn er meer arena’s.

Dat wil niet zeggen dat politieke partijen geheel moeten worden afgeschreven. Monti mag dan bezig zijn het vertrouwen in de overheid – en dus de representativiteit daarvan – te herstellen, op termijn is één respectabel persoon geen basis voor een duurzame democratie. Als we op grond van de populariteit van Monti denken dat crisismanagers die basis wel kunnen leggen,zou de schuldencrisis weleens op een democratische crisis kunnen uitdraaien.