Koppen met karakter

Paleontologie Alfons en Adrie Kennis maken reconstructies van vroege mensen. Met hulp van wetenschap en verbeelding.

Karel Berkhout

De hele menselijke evolutie ligt zo’n beetje op een tafel van nog geen vierkante meter: tientallen gereconstrueerde hoofden van mensachtigen, met zwarte haren en een bruine huid. Een oude Neanderthaler-man heeft een uitgesproken gezicht met een forse neus. Als mensen hem zien, zeggen ze dingen als ‘Hé, dat is precies oom Jan!’. Of: ‘Net de Russische generaal Lebed.’

De makers Alfons en Adrie Kennis vertellen dit heel blij: “We geven een gezicht altijd een eigen karakter, want ook vroege mensen waren individuen. Natuurlijk ziet onze reconstructie er anders uit dan degene van wie de schedel ooit was. Maar dát die persoon een eigen karakter had, willen we laten graag laten zien. En dus vinden we het fijn als mensen van nu iets van zichzelf herkennen.”

De Nederlandse tweelingbroers Alfons en Adrie Kennis (1966) zijn toonaangevende paleokunstenaars, die op grond van wetenschappelijke kennis verbeelden hoe prehistorische mensen en dieren eruit gezien kunnen hebben. Ze maakten naam met (cover)illustraties voor National Geographic van onder meer een vrouwelijke Neanderthaler (‘Wilma’) en met de reconstructie van ‘gletsjerman’ Ötzi. Vorige maand haalden ze in België de voorpagina’s met hun reconstructie van Spy, de Neanderthaler die ruim een eeuw geleden bij Namen werd gevonden: “In de Vlaamse kranten zag je zijn piemel, in de Franstalige niet.”

Honderden schedels

Een staalkaart van hun oeuvre biedt het net verschenen boek Het verhaal van de mens. Dit even gedegen als toegankelijke overzichtswerk van de menselijke evolutie staat vol foto’s van tientallen hoofden die de gebroeders Kennis hebben gemaakt. “We hadden de afgietsels al”, zeggen de broers en wijzen op een verzameling witte hoofden op de vloer in het rijtjeshuis van Alfons, de oudste, in Arnhem. “We hoefden die alleen nog maar uit te voeren in siliconen.”

Voor het Senckenbergmuseum in Frankfurt maakten ze vorig jaar namelijk een hele serie gereconstrueerde hoofden, in hard plastic. Die witte hoofden werden ‘zwevend’ gepresenteerd in een zaal: “Bezoekers liepen van de oudste mensachtige naar de moderne mens, via mensachtigen van allerlei leeftijden. Je kon de gezichten door de tijd heen zien veranderen, maar zonder een stamboom.” Die aanpak past in de huidige consensus dat de menselijke evolutie niet in een rechte lijn maar langs kronkelpaden is verlopen.

Op de werkzolder puilen de kasten uit van naslagwerken en meer nog van honderden afgietsels van mensen- en dierenschedels. De originelen zijn beschikbaar gesteld door onderzoekers en door musea: “Musea krijgen één reconstructie gratis en dan mogen we een afgietsel maken van alles wat we interessant vinden.”

Zo kwamen er uit Frankfurt 70 schedels, waarvan in totaal 140 afgietsels werden gemaakt. “Ik maak er drie per uur”, zegt Alfons, “dus reken maar uit hoe veel tijd dit heeft gekost”. Waarom alles dubbel? “Omdat ik ze thuis ook wil hebben”, zegt Adrie. “Ik lig vaak in bed met schedels van verwante dieren en bekijk dan uren lang de kleinste verschillen.”

Want de schedels zijn een gezamenlijke preoccupatie van de broers. Als de een enthousiast heeft verteld over de Ethiopische wolf (“kijk eens naar die langwerpige bek, helemaal aangepast om alleen maar die reuzenmolrat te sneppen”), dan vertelt de ander enthousiast hetzelfde verhaal (“Oh, dat weet je al?”). Als de een begint over de lengte van een huigbotje, maakt de ander het af met een betoog over de kromming van voorhoofden. Als de een iets uitlegt, pakt de ander een schedel erbij ter illustratie. Als de een antwoordt, neemt de ander het vaak over.

In deze woordenstroom is het onmogelijk om vast te stellen wie wat zegt. Uit de kast komt De grote encyclopedie van de mens in de oertijd van Jelinek, vol kleurige fantasierijke illustraties van zeer primitieve Neanderthalers met een laag voorhoofd onder een sprieterig bloempotkapsel. En dan hoor je dit over hét boek uit de kinderjaren van de tweeling. “Dat was fantastisch!” “Volkomen achterhaald natuurlijk.” “Met die lendendoekjes.” “En die rare koppen.” “Maar wat een geweldige sfeer.” “Alleen al die schitterende groene bomen.” “Dit leeft.” “Dit is een verhaal.”

Uilenballen

Al vanaf hun kleutertijd tekenden en kleiden ze oermensen en dieren. Maar in de weetjesboeken uit die tijd stond van elke vroege mensachtige maar één schedel afgebeeld: “Je kon nooit vergelijken.” Dus toen ze in hun vroege tienerjaren het boek van Jelinek ontdekten, was dat een openbaring: “Eindelijk een heleboel Neanderthalerschedels.”

In die tijd waren ze ook een beetje klaar met het natekenen van muizenschedels uit uilenballen. “Dus gingen we zelf schedels uitkoken, in het schuurtje achter ons huis. Als er een dooie kat op straat lag, sneden we de kop eraf en stopten die in onze schooltas. In het slachthuis graaiden we in de ton met afval; moest je met arm dwars door de darmen om onderin een schedel van een varken of koe te kunnen pakken.” De uitgekookte schedels tekenden ze na.

De gebroeders Kennis waren graag paleoantropoloog geworden, “maar we waren niet goed in rekenen en taal”. Ze werden tekenleraar en bleven dieren en oermensen tekenen in hun vrije tijd. Eind jaren negentig mochten ze kinderboeken over de evolutie illustreren. Om oermensen goed te kunnen tekenen (“hoeveel schaduw hadden ze naast hun neus?”), reconstrueerden ze hoofden met de zogeheten ‘Manchester-methode’ (zie kader).

Hun illustraties trokken de aandacht van National Geographic, dat vermogens spendeert aan de verbeelding van prehistorische wezens. Hun hoofden trokken ook de aandacht van onderzoekers en musea. “Voor ons zijn die hoofden oorspronkelijk modellen voor illustraties, maar de buitenwereld heeft liever koppen dan tekeningen.”

Op de werkzolder staat een model van een Neanderthaler, die de broers nu maken voor het museum in Frankfurt. Op de schedel zitten houten pinnen van een paar millimeter, die de huiddikte aangeven. Als deze reconstructie straks klaar is, lijkt die dan op de oorspronkelijke eigenaar van de schedel? Die kans is niet heel groot, zeggen de broers.

Want iemands uiterlijk wordt sterk bepaald door het gezichtsvet en het haar. “Maar hoeveel gezichtsvet iemand had en wat voor haar, dat is onbekend.” De broers vertellen over een experiment waarbij een Britse hoogleraar het hoofd van een Nederlandse collega reconstrueerde op grond van foto’s van diens schedel: “Het ging om een al wat oudere man, dus de Brit dacht dat de Nederlander nogal kaal was en dat het gebied rond de ogen was ingedroogd. Die kaalheid klopte, maar de man had een beetje uitpuilende ogen.”

De onzekerheid over het realistische gehalte betekent niet, dat de broers zich alles laten zeggen over hun reconstructies. Zo had de Amerikaanse paleoantropoloog Erik Trinkaus, dé Neanderthalerkenner, kritiek op hun vrouwelijke Neanderthaler (‘Wilma’) in National Geographic. “Hij had helemaal niet goed gekeken, zoals wij.” Dat leggen ze even uit met een kleine demonstratie.

Een broer toont zijn hoofd en profil, de ander geeft commentaar. “Als je een denkbeeldige verticale lijn trekt van de achterkant van de neus naar boven” – de vinger gaat omhoog – “kom je uit bij de wenkbrauwboog. Dat is typisch voor Homo sapiens. Bij de Neanderthaler eindigt die lijn in de lucht, want het middendeel van zijn gezicht, met de jukbeenderen, de mond en de neus, stond in zijn geheel wat naar voren.”

Trinkaus beweerde dat het middengezicht verder naar voren stond dan de broers hadden gereconstrueerd met Wilma. “Ja, bij de mánnen was dat zo, maar bij de vrouwen was dat minder sterk!” Een broer pakt een schedel uit de kast: “Zie je dat het jukbeen niet zo heel ver uitsteekt?”

De schedel komt uit Spanje, waar de afgelopen decennia tientallen schedels van Neanderthalers en hun voorgangers (Homo heidelbergensis) zijn opgegraven. “Zoveel dat we nu weten dat de individuele verschillen heel groot waren.” Er komt een onderkaak van de plank. “Kijk, je kunt je vinger achter de achterste kies leggen. Dit geldt als een typisch Neanderthalerkenmerk.” Er komt een andere onderkaak van de plank. “Van dezelfde plek, deze lag er bij wijze van spreken naast. Maar hier krijg je er helemaal geen vinger achter.”

De gebroeders Kennis illustreerden een boek over de ‘Spaanse’ Neanderthalers, met spectaculaire schilderijen van oermensen die hun haar hoog op hun hoofd hebben opgebonden. “Het is aannemelijk dat toen mensen zichzelf gingen versieren, ze begonnen met hun haar. Kelten deden krijt in hun haar voor de strijd met de Romeinen, de Papoea’s deden kralen in hun haar voor de oorlog. Dus waarom zouden de Neanderthalers het niet zo hebben gedaan?” Het wijkt af van het gangbare beeld met het steile haar. “Deze Spaanse professor was jong en zei ‘doe maar’.”

De tweeling heeft de Spaanse schedels wel meegekregen, waar veel niet-Spaanse wetenschappers ze niet krijgen. Dat is in het algemeen zo. “Onderzoekers geven hun spullen makkelijker aan ons dan aan hun collega’s, omdat wij er toch niet over kunnen publiceren.” Het verklaart dat de broers bijvoorbeeld tientallen schedels hebben van Homo erectus, een miljoen jaar oude voorganger van de moderne mens.

De Hobbit

Ze hebben ook de piepkleine schedel van Homo floresiensis, die maar enkele tienduizenden jaren oud is. Over deze Indonesische ‘Hobbit’ zegt een minderheid van experts wel dat het een Homo sapiens is met een schedelafwijking. De broers geloven er niets van: “De onderkaak van de Hobbit is die van Homo erectus, maar dan kleiner. Wij zien dat doordat we tientallen erectus-kaken naast kunnen leggen. Weinig wetenschappers hebben zoveel kaken.”

De waarheid hebben ze niet in pacht, benadrukken de broers: “We zijn geen wetenschappers en de evolutie is heel complex.” Ze pakken vier schedels van mensachtigen, een in elke hand: “Deze vier soorten woonden anderhalf miljoen jaar geleden in de Afrikaanse savanne, naast elkaar. Zie je hoe ze verschillen? Elke soort was aangepast aan wat-ie at. De een noten, de ander planten. Wie is onze voorouder? Dat weten we niet. We vermoeden deze.” Een schedel gaat de lucht in: “Homo ergaster!”

Nu pakken ze weer allebei twee schedels, nu van hedendaagse zeehonden. “Deze vier soorten wonen in hetzelfde gebied bij de Zuidpool, maar kijk eens naar de verschillende kaken en tanden: deze eet vis, deze pinguïns, deze inktvis en deze krill. Wat een variatie, ongelooflijk. Net als bij de vroege mensachtigen.”

Om de kennis van dieren te vergroten, ontleden de broers geregeld kadavers uit dierentuinen. “Dan zetten we eerst een paar pinnen in de huid om de dikte te meten. Dan bekijken we hoe de spieren lopen, hoe groot ze zijn. Uiteindelijk snijden we de spieren eraf en maken daar afgietsels van. Dan gieten we de rest af.”

De anatomische kennis over de hedendaagse leeuw gebruikten ze bijvoorbeeld voor een reconstructie van de buidelleeuw in National Geographic. “Een paleontoloog had kritiek op onze tekening, omdat de onderkaak niet zou kloppen met de muil.” Meteen komt een leeuwenkop tevoorschijn. “Kijk, bij een leeuw vallen de bovenlippen heel ruim over de onderkaak. Daardoor lijkt de onderkaak niet gelijk te lopen met de mond. Deze paleontoloog heeft nooit echt goed gekeken.”

De beperkingen van hun reconstructies zijn groot, beseffen de gebroeders Kennis. “De werkelijkheid is altijd veel verrassender dan je denkt. Als een giraf niet bestond zou je hem niet kunnen verzinnen. Met al die gekleurde vlekken.” Of een zebra. “Een wit paard met zwarte strepen. Dat kún je niet bedenken.”

Maar binnen die beperkingen willen ze wel het maximale uit hun reconstructies halen. “Amerikanen brengen op mensenschedels vaak geen aparte spieren aan. Die gaan uit van een standaard dikte van spier, gezichtsvet en huid. Dat werkt prima hoor. Alleen niet als je het gezicht een bepaalde uitdrukking wil geven.”

Ze wijzen op een mannelijke Australopithecus afarensis – zeg maar de man van de 3,2 miljoen jaar oude Lucy – die een soort grijns op zijn gezicht. heeft. “Alleen als je weet hoe een gezichtspier loopt, kun je zo’n gezichtsuitdrukking maken en een hoofd een eigen karakter geven.”

Het verhaal van de mens. Door Alice Roberts met 3D-illustraties van Alfons en Adrie Kennis. Uitgeverij Winkler Prins. 256 blz. €29,99

    • Karel Berkhout