Jojken

Een tv-programma herinnert Ivo Weyel aan wijlen Martin Bril.

Op de Belgische televisie was onlangs een programma over jojken. Toen moest ik denken aan de reis naar Lapland die ik met Martin Bril maakte. Bril haatte jojken. Hij vond jojken zowat het allerstomste wat de mensheid ooit had voortgebracht. Hij werd zelfs boos tijdens een jojkenvoordracht die – ik moet het toegeven – niet echt prettig in het gehoor lag en waar vooral ook geen einde aan leek te komen.

Jojken is een eeuwenoude traditie bij de Lappen (of Sami, zoals ze officieel heten) die bestaat uit eindeloze variaties a capella zingen met keelklanken en de woorden jôhjôhjôh (ons lalala). Het klinkt als improvisatie, maar dat is het niet. Het zijn uit het hoofd geleerde deuntjes, want geschreven notenbalken kent het jojken niet. Iedereen jojkt er tijdens zijn Lapse leven lustig op los. Op elk feestje wordt uitbundig gejojkt. Elke Lap heeft zijn of haar eigen persoonlijke jojkdeuntje dat de ouders bij de geboorte verzinnen.

Bril en ik hoorden het eerst beleefd aan. Toen werden we er een beetje giechelig van. We zaten in een Lapse tent op rendiervellen en Bril probeerde plukjes rendierbont in zijn oren te stoppen qua geluidsdemping wat hem op een reprimande kwam te staan van de reisleiding. Bril fluisterde: „Terwijl wij Bach en Beethoven en jazz en de Rolling Stones hebben uitgevonden, zijn zij nooit verder gekomen dan exact dezelfde lalalaladeuntjes?” Toen werd uitgelegd hoe belangrijk het is dat de Lapse jojktraditie in ere wordt gehouden, dat het cultureel erfgoed is van de bovenste plank en dat het UNESCO het officieel tot ontastbaar erfgoed moet uitroepen.

Bril stak zijn hand op en vroeg: „Waarom?”

Men begreep de vraag eerst niet en Bril legde uit dat een volk dat gedurende honderden jaren niet verder komt dan dezelfde deuntjes toch niet echt als heel hoogstaand cultureel kan worden beschouwd? Dus waarom dat dan zo nodig gekoesterd moet worden? (Hij verwoordde het iets anders tegen mij: „Sommige culturen verdienen het om uit te sterven”).

De tolk keek hem woedend aan en weigerde zijn vraag in het Laps te vertalen. Bril pakte nog maar een biertje.

Enfin.

We gingen naar ons hotel. Het was zomer, dus de zon ging niet onder. De hotelkamers hadden geen gordijnen. Vanuit Brils kamers klonk getier en gevloek. Hij hamerde zijn dekbed voor het raam.

„Weten die Lappen nou nog steeds niet dat gordijnen licht tegen houden?”, vroeg hij aan het ontbijt.