In mijn hoofd ben ik nog het meisje naast Chagall

Maja van Hall (1937) is beeldhouwster. In museum Beelden aan Zee gaat maandag een film over haar in première: Wat blijft. Ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag is daar ook een overzicht van haar werk tentoongesteld. tekst Danielle Pinedo foto Ringel Goslinga

Chagall

„Ik moet een jaar of zeventien zijn geweest toen mijn moeder mij meenam naar het Franse kunstenaarsdorp Tourrettes. Picasso, Matisse, Chagall: ze werkten allemaal in die omgeving. Toen ik mij aan een tafeltje had gezet, nippend aan een kopje thee, legde een man zwijgend zijn hand naast de mijne. Hij was een halve eeuw ouder, maar onze handen waren even klein en doorleefd. Was het een flirtation of wees hij mij op de gelijkenis? Toen ik opkeek zag ik om wiens hand het ging: die van Chagall. Zijn gebaar duurde kort, misschien een paar seconden, maar ik heb er nog vaak aan moeten terugdenken.”

Beeldhouwen

„De eerste keer dat ik klei in mijn handen had, voelde het alsof ik thuiskwam. Dat klinkt soft, maar anders kan ik het niet omschrijven. Je maakt gevoelens tastbaar. Plaatst ze als het ware buiten jezelf; dat geeft voldoening en lucht soms op. Natuurlijk komen er ook andere dingen bij deze kunstvorm kijken – esthetiek en techniek bijvoorbeeld – maar beeldhouwen draait in de eerste plaats om voelen. Daarom mogen mijn beelden op tentoonstellingen altijd aangeraakt worden. Ik heb zelfs eens meegedaan aan een expositie voor blinden. De catalogus was in braille uitgevoerd.”

Oorlog

„Mijn vader zat in het verzet. Hij vervalste paspoorten en zorgde ervoor dat Joden op een veilige plek werden ondergebracht. Toen ik acht jaar was werd hij verraden door een NSB’er. Ik herinner mij dat wij aan tafel zaten, het was etenstijd, hartje zomer. De achterdeur stond open, plots verscheen daar een bajonet. En dan weet je: hij wordt gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte.

„Tijdens de rit ernaartoe veinsde mijn vader dat zijn fiets het niet deed. Om de paar minuten stapte hij af. Toen zijn bewakers tegen schemertijd linksaf wilden slaan, ging mijn vader er als een pijl vandoor. Hij heeft de rest van de oorlog ondergedoken gezeten. Die ervaring – je voelt je goed, maar pas op, want er is altijd nog die achterdeur – heeft mijn verdere leven gekleurd. Bij iedere ontmoeting denk ik: zou hij of zij mij verraden?”

Eva

„Mijn dochter Eva overleed in een onbewaakt ogenblik. Ze was zeven en speelde bij een vriendin. De meisjes gingen samen in bad. In het uur dat Eva van huis zou blijven overleed zij aan een stompzinnige oorzaak: een defecte geiser. In de jaren erna heb ik mijn verdriet vorm proberen te geven. Een klein beeldje, een groter beeld...uiteindelijk werden het er zeven.

„Door verdriet in je handen te houden, maak je het tastbaar. En soms, heel soms, kan ik daar met anderen over praten. Dat ik mijn verhaal in Vrij Nederland met Bibeb deelde, begin jaren tachtig, maakte het er niet makkelijker op. Opeens stond het zwart op wit, kon iedereen het lezen. En ik merkte dat ik mij daardoor veel minder vrij voelde. Ik herinner mij nog goed dat mensen verstoord opkeken toen ik lachte op een feest. Het eerste wat ik dacht: ze vinden het ongepast.”

De nacht

„Rond vier uur in de ochtend werkt mijn geest op volle toeren. Ik lees, ik schrijf, ik teken. Ik spring van de hak op de tak. Ongestoord scharrelen: er is niets fijners dan dat. Tijdens de nacht dwaalt mijn blik, onbewust, van die achterdeur af. Dat geeft rust.”

Eylard

„Mijn maat. Mijn geliefde. De vader van mijn kinderen. We leerden elkaar kennen op een feest. Ik viel op zijn jeugdige onbezonnenheid en optimisme. Hoewel ik lang heb gedacht dat wij niet voor elkaar bestemd waren – Eylard heeft de oorlog niet meegemaakt, ik ben erdoor gevormd – zijn wij nu al 52 jaar samen.

„Ik ben trots op Eylard, die bekendstaat om zijn pioniersgeest. Hij was de eerste hoogleraar die vrouwelijke gynaecologen opleidde. De meisjes van Van Hall, werden zij neerbuigend genoemd. Eylard ging tegen de tijdgeest in, het was trekken aan een dood paard. Ook voor mij is hij een onvoorwaardelijke steun. ‘Ga door’, zegt Eylard als ik twijfel aan mijn kunnen: ‘Het is goed wat je doet.’ Want ik twijfel tien slagen in de rondte, hoor. Als kunstenaar beland ik regelmatig in een existentiële crisis. Uit wanhoop heb ik eens een beeld van één hoog in een container gegooid. Gestolde tijd: ik heb er nog steeds spijt van.”

Van Pallandt

„Een landmark in de Nederlandse beeldhouwkunst. Charlotte van Pallandt was een hele grote. Onze vriendschap begon toen zij een beeldje van mij bij de gieterij zag staan. ‘Van wie is dat?’ vroeg zij. ‘Díé wil ik graag ontmoeten.’ Ons werk verschilt hemelsbreed, maar ik geniet van dat van haar en zij genoot van dat van mij. Ik had graag haar talent gehad. Zij was jaloers op de vrijheid die ik mij veroorloofde.

„Charlotte en ik gingen vaak samen op stap. ‘Lummelen’, noemden wij dat. Ze was veertig jaar ouder, ik keek tegen haar op. Vlak voor haar dood – Charlotte werd bijna honderd – maakten wij een wandeling door Hoorn. Toen wij aan het IJsselmeer op een bankje zaten vroeg ik of zij nog verborgen wensen had. ‘Ja’, zei zij. ‘Ik durf het eigenlijk niet te zeggen, maar ik zou wel een paar nepwimpers willen hebben.’ Nee, ik heb haar nooit een doosje gegeven. Het uitspreken van de wens was voldoende.

„Charlotte is veel tegengewerkt in haar leven. Ze was van adellijke afkomst, vrouw én begaafd – dat wekte afgunst op. De bijna vanzelfsprekende weerstand jegens haar persoon liet gelukkig geen diepe sporen na. Charlotte had iets onverzettelijks, ook als het op lichamelijke ongemakken aankwam. Brak zij een lichaamsdeel, dan zette zij zich in voor een spoedig herstel. Ik zie haar nog met een gebroken heup op een stok met een zadel zitten.

„In haar laatste levensjaar zat Charlotte in een verpleeghuis. Ik bezocht haar regelmatig, want zij had veel te vertellen. ‘Maja, je moet daar mee ophouden’, zei de huisarts. ‘Denk ook een beetje aan jezelf.’ Toen ik tijdens een korte vakantie naar het verpleeghuis belde, hoorde ik dat zij overleden was.”

Nalatenschap

„Je moet er over nadenken, maar het voelt als corvee. Wat heeft het voor zin om na te denken over de dood? De een sterft als hij zeven is, de ander op zijn zeventigste. In mijn hoofd ben ik nog steeds het meisje dat plaatsnam aan een tafeltje naast Chagall. Ik denk zelden na over mijn lichamelijke beperkingen. Tot mijn dood wil ik hard werken en mooie dingen maken. En dan maar hopen dat mijn kinderen en kleinkinderen er plezier aan beleven. Ik ga niet over mijn graf regeren. Geen sprake van.”

Tot en met 3 juni toont museum Beelden aan Zee in Scheveningen een overzicht van het werk van Maja van Hall. Meer informatie op www.beeldenaanzee.nl

    • Ringel Goslinga
    • Danielle Pinedo