In de journalistiek moet de burger centraal staan, niet de consument

Het was weer een tv-moment. Rutger Castricum, de plaaggeest van het parlement, voelde in De Wereld Draait Door maandag de hete adem in zijn nek van Felix Rottenberg en Frènk van der Linden, die hem voor de voeten wierpen dat wat hij doet – politici sarren en treiteren – geen journalistiek is, maar „cabaret”. Is

Het was weer een tv-moment. Rutger Castricum, de plaaggeest van het parlement, voelde in De Wereld Draait Door maandag de hete adem in zijn nek van Felix Rottenberg en Frènk van der Linden, die hem voor de voeten wierpen dat wat hij doet – politici sarren en treiteren – geen journalistiek is, maar „cabaret”.

Is treiteren een vorm van journalistiek of van (politiek) cabaret?

De schrik van het Binnenhof kreeg het er knap benauwd van.

Internetredacteur Steven de Jong nam het woensdag voor hem op in een opiniestuk op nrc.nl, Fatsoenskloof? Afzeik-tv? Accepteer dat treiteren een vorm van journalistiek is.

Hij verdedigde Castricum, want: „Politiek gaat niet alleen over de in houd. Het gaat evenzo, misschien zelfs meer, om de poppetjes. […] Juist daarom is het van belang dat niet iedere journalist zich richt op beleid, uitvoering en wetsvoorstellen, maar dat er ook journalisten zijn die de ijdeltuiten kleineren, hypocrisie blootleggen en politici zo uit evenwicht brengen dat ze even hun ingestudeerde voorlichtersproza vergeten.” En: „Alleen in dictaturen gedragen alle journalisten zich fatsoenlijk.”

Een opmerkelijke laudatio voor de man die Kamerleden vraagt naar hun ervaringen met fellatio. Maar ja, je kunt inderdaad door alle permanente rumoer over beleid en wetgeving in de huidige journalistiek vaak geen mensenhart meer horen kloppen. Om nog maar te zwijgen van de overdaad aan beleidsanalyses, exegese van documenten, wetsteksten en constitutionele verhandelingen op televisie.

Hoog tijd dat Castricum die verstofte boel eens kwam opschudden.

Het stuk van De Jong staat op de site, niet op een opiniepagina, want zoiets heeft nrc.nl niet (opiniestukken staan in de krant trouwens ook geregeld op andere plekken, zoals onlangs nog de open brief van ambassadeurs op de voorpagina).

Maar het moet dan wel duidelijk zijn dat het om opinie gaat. De krant scheidt feiten van meningen. Er had van mij dus een etiket of tag bij gemogen. Dat is een kwestie van nieuwe vormgeving, zegt de webredactie, en die is een kwestie van tijd en mankracht. We zullen het zien.

Maar mijn naamgenoot werpt intussen wel een interessante vraag op, over het karakter en de reikwijdte van wat journalistiek heet, politieke in het bijzonder.

Dick van Eijk omschreef journalistiek in het boek Investigative journalism in Europe eens kernachtig als „waarheidsgericht verhalen vertellen, vooral gericht op burgers, zonder wettelijke basis”. Dat is een mooie definitie, want die grenst het vak af tegen verwante disciplines zoals de politiek (die zoekt geen waarheid), wetenschap (die mikt niet op burgers), literatuur (die zoekt het in schoonheid) en tegen politie of justitie (die speciale wettelijke bevoegdheden hebben).

Een mooie plek voor Rutger zie ik nog niet in die definitie.

Maar een journalist mag hij zich natuurlijk best noemen, het is geen beschermd beroep. Net zoals anderen mogen zeggen dat hij geen journalist is, maar een geinponem.

Tot de komst van commerciële televisie in Nederland, in de jaren negentig, was politieke journalistiek een vrij gesloten kring, met Nieuwspoort als informeel zenuwcentrum. In de oude Tweede Kamer liep toen één (1) cameraploeg rond, van de publieke omroep. Schrijvende journalisten mengden zich in de coulissen gemoedelijk met Kamerleden en ministers. Het is nu nauwelijks meer voorstelbaar.

Die machtsverhoudingen zijn totaal omgedraaid. Televisie is oppermachtig, ook de commerciële. Oneliners, grappen, stotteren en hakkelen zijn nu ook ingrediënten waarop een politicus wordt „afgerekend”. In zo’n klimaat is het niet verwonderlijk dat er een omroep opstaat die zich daarop toelegt.

Binnen die nieuwe Haagse constellatie kun je drie hoofdvormen van politieke journalistiek onderscheiden: scorebordjournalistiek (puur de poppetjes); beleidsjournalistiek (de knikkers) en machtsjournalistiek (het spel: partijpolitiek, coalities). Bij de laatste hoort natuurlijk ook aandacht voor de personele uitoefening van de macht, of het mislukken daarvan – zie het lot van Job Cohen.

NRC Handelsblad legt zich, als het goed is, vooral toe op de tweede en derde soort. Waarom? Omdat dat de hoekstenen zijn van politiek burgerschap, en deze krant wil zich niet richten op de ‘nieuwsconsument’, maar op de burger.

Ook daarom scheidt een goede krant feiten van meningen: om de meningsvorming naar een hoger plan te trekken, in plaats van te laten afglijden tot propaganda of stemmingmakerij. Anders worden opinies zelf een vorm van entertainment – en dat is niet de bedoeling, althans niet van deze krant.

Daarom zit er ook meer in het stuk van De Jong: een debat over de ambities van de journalistiek.

Want zelfs de schoolpleinjournalistiek van Castricum is niet alleen maar vermaak. De subtekst van dit soort programma’s, en van een legertje bloggers die thuis als leeuwen brullen naar de kaasstolp, is dat de Haagse politiek niet deugt, of bestaat uit sukkels die elk vitaal contact met de samenleving zijn verloren. Vandaar de mantra van de „generatiekloof” die te pas en te onpas van stal wordt gehaald.

De keerzijde: er toch bij willen horen. Want waarom reageerde Castricum zo gekwetst toen hij een „cabaretier” werd genoemd? Toch ook een leuk vak?

Ergens buiten willen staan, en er stiekem toch bij willen horen – het eeuwige dilemma van de pestkop die zelf niet tegen pesten kan.