Hou de verrekijker erbij

Op 6 maart opent de Hiswa. Daar is niet alleen aandacht voor boten, maar ook voor nautische boeken en kaarten. ‘Denk geen seconde dat de GPS je kan helpen.’

Sailboat at sea PhotoAlto

Daar is de boei. Van een splinter op de horizon is hij na een uur zeilen uitgegroeid tot een grote visdobber, ‘ATSO’ op de rood-witte flanken. Dit is de ‘veiligwaterton’ van de Somme-baai in Noord-Frankrijk. Dat wil zeggen: het veilige, diepe water is waar wij vandaan komen, uit het westen. De ton markeert het begin van de lange, slingerende route tussen de zandbanken naar de haven van St Valéry sur Somme.

‘1545, HW-2’, zet ik in het logboek; kwart voor vier ’s middags en twee uur vóór hoogwater. Precies op tijd. Zo kunnen we vanaf hier met de vloedstroom in de rug de baai binnenvaren. En als we zouden vastlopen, komen we door het stijgende water hopelijk weer los. De acht zeemijl van hier naar St. Valéry is binnen twee uur af te leggen. Dan komen we net voor hoogwater aan.

Dat was het plan, toen we die ochtend in Dieppe naar de lucht keken, de berekeningen nog eens maakten, en op de zeekaart een potloodlijn naar de ATSO-boei trokken. We zijn hier voor het eerst en proberen het volgens het boekje te doen, letterlijk, want dit is wat alle pilot books, de zeemansalmanakken, voorschrijven. Ook in de wetenschap dat je kunt plannen wat je wilt, maar dat op zee vaak alles anders wordt. Omdat de stroming zich niet gehoorzaam aan de stroomatlas houdt. Of omdat de wind draait en de haven waar je heen wilt niet meer te bezeilen is. Maar alles werkt vandaag voor een keertje mee, en we zijn precies op tijd bij de ATSO-boei.

Binnenkort begint het zeilseizoen weer en als op 6 maart de Hiswa opent, vergapen duizenden zich aan de nieuwste zeilboten. Maar het is crisis en als de recente botenshows in Düsseldorf en Londen een maatstaf zijn, blijft het vooral bij kijken. De markt voor nautische boeken en kaarten lijkt daarentegen onverzadigbaar.

Elektronica neemt weliswaar steeds meer van het oude ‘nautische handwerk’ over, maar als de GPS ermee zou ophouden moet je kunnen terugvallen op de optelsom van wind en water. Die maak je niet alleen op de kaart, met een 4B-potlood, maar ook in je hoofd. Geen elektronische plotter, een tomtom voor op de boot, die het kan vervangen. Het spellen van de almanak, die sommetjes en het bijhouden van een logboek onder-weg zijn daarom geen vrijblijvend tijdverdrijf.

„Ik kan me geen levenloos object voorstellen waarmee je op momenten van spanning een intiemere en afhankelijker relatie hebt”, schreef Libby Purves, BBC-journaliste en zeilster, in Yachting Monthly. „Een zeekaart, een almanak – ze zijn net zo’n deel van onze kostbare en zenuwslopende liefdesaffaire met de zee als romp en zeilen. We kunnen niet zonder ze.”

Tegen Kerst staat bij veel watersportwinkels een pallet met exemplaren van Reeds Nautical Almanac voor het nieuwe jaar. Hoewel maar weinig informatie in dat enorme boek over de Europese kust echt van jaar op jaar verandert, slinkt de stapel snel. En elk jaar neem ik me voor om nóg een seizoen te doen met de zeekaarten van vorig jaar. Maar dan bedenk ik me dat ik bij een nachtelijke zeiltocht op de Waddenzee eens bijna lelijk ben gestrand, omdat de boeien op de kaart in het echt heel andere boeien waren geworden. En dat het toch wel heel lekker tekent op een nieuw kaartblad. Dus ook aan mij houdt de Dienst der Hydrografie een goede klant.

Peillood

Pilot is Engels voor loods, maar het peillood (een stuk lood aan een touw waarmee de loods peilt hoeveel water hij onder de kiel heeft) is van oorsprong Nederlands. Als piloot keerde het weer terug in het Nederlands. De eerste pilot books waren bedoeld voor grote schepen en grote havens. Zo bleven hele stukken ingewikkelde kustlijn terra incognita voor de pleziervaart totdat Britse zeilers ze in de jaren dertig van de vorige eeuw begonnen te beschrijven. Een almanak helpt je een voorstelling te maken van het naderen van een onbekende haven. Maar hoewel ze globaal dezelfde ‘harde’ informatie bevatten, is geen enkele gelijk van toon. Op deze reis in het Kanaal hebben we er drie aan boord: twee Britse en een Nederlandse.

Dit staat vast: St. Valéry is alleen bereikbaar in die paar uren rond hoogwater, via een meanderende vaargeul, die zichzelf steeds verlegt. Buiten die paar uur valt de baai geheel droog. En als het vloed wordt, raast het water over de volle breedte weer naar binnen, zonder zich aan de slingers van de geul te houden zodat de stroming je boot steeds een andere kant opduwt. Mijn drie gidsen zijn het roerend met elkaar eens dat je geen fouten mag maken, maar ze zeggen het alle drie anders.

Reeds houdt het eenvoudig. „Volg vanaf ATSO de vaargeul die door boeien S1 tot S50 (sommige verlicht) is gemarkeerd, en wel in precies de goede volgorde (geen hoeken afsnijden!). Hoewel Reeds al lang geen eenmansbedrijf meer is – het boek verschijnt in een oplage van 30.000 en wordt gemaakt door een redactie plus een netwerk van lokale agenten – hoor ik tussen de regels nog steeds de nuchtere stem van O.M. ‘Ossie’ Watts, die na zijn tijd als officier bij de Britse koopvaardij van zeilen zijn beroep maakte en in 1932 de eerste editie publiceerde bij de uitgeverij van Harold Brunton-Reed.

Tom Cunliffe, samensteller van The Shell Channel Pilot, is net zo Brits, maar hij klinkt af en toe als iemand die je in de pub een goede raad geeft. „De Somme is bepaald excentriek”, schrijft Cunliffe. „Ik kan niet vaak genoeg zeggen dat je elke boei moet afvinken. Als je er eentje mist, heb je echt een probleem. Dus hou die verrekijker erbij en denk geen seconde dat de gps je kan helpen.”

Vergeleken daarbij klinkt Clemens Kok, schrijver van de Vaarwijzer Het Kanaal dan weer bijna achteloos. Dat is niet helemaal verbazingwekkend als je weet dat hij een boot heeft waarvan je de kiel kan intrekken, zodat aan de grond lopen voor hem nauwelijks een probleem is. „Wij trekken de kiel omhoog, schui-ven met onze Ovni de laatste haakse bochten door en steken brutaalweg af naar de ijzeren damwand [bij St. Valéry].” Ja, zo kan ik het ook.

Maar we konden het inderdaad. De boeien één voor één afvinkend, en met de verrekijker er voortdurend bij. En nee, een pilot book is geen Ikea-handleiding. Uiteindelijk moet je het ondanks alle aanwijzingen toch zelf ontdekken en zelf doen. Zonder hoeken af te snijden, mee- en tegensturend in de stroom. Langs de ijzeren damwand, die bijna onder water staat, om uiteindelijk langs de platanenboulevard van St. Valéry te varen en ons met Clemens Kok af te vragen „waar die haven blijft”. Tot zich inderdaad aan stuurboord op het laatste moment een zijarm opent, waar aan de pontons wel zeven andere Nederlandse jachtjes liggen, herkenbaar aan wapperend roodwitblauw. En de geur van Chicken Tonight die door de haven waait.

In het tijdperk van de instant-bevrediging is havenhoppen met een zeiljachtje in het Kanaal een les in nederigheid. De zee dwingt je terug in een elementaire snelheid; letterlijk, je actieradius wordt bepaald door de elementen: het tij, de stroom, de waterstand, golven, de kracht en de richting van de wind.

Die elementen dwingen ons drie dagen in St Valéry te blijven liggen. Dan zien we onze kans schoon, draaien op de voorgeschreven twee uur voor hoogwater de haven uit, zetten de motor op vol vermogen („met alle toeren die je hebt”, adviseert Tom Cunliffe), en ontsnappen uit de baai. Een zeehond steekt zijn kop uit het water. Even later schuift de rood-witte ATSO-boei voorbij, de andere kant op.

    • Hans Steketee