Fatsoen

Ruim een jaar geleden schreef ik dat Job Cohen beter een andere baan kon zoeken. Toen al was duidelijk dat hij niet was opgewassen tegen zijn twee grootste politieke tegenstanders: Geert Wilders en de PvdA.

Om met de eerste te beginnen: Cohen begreep weinig van het nieuwe nationaal-populisme, dat gefixeerd is op angst voor verlies van identiteit – of hij had geen zin om het te begrijpen. Fatsoen zag hij als het beste wapen tegen haat en hetze, fatsoen was het bindmiddel voor een gepolariseerde samenleving. Maar hij was te weinig politicus om dat fatsoen instrumenteel te maken. Het bleef iets van hemzelf, het werd geen bindende kracht. In confrontaties met zijn opponenten werd zijn fatsoen tot een vluchtheuvel, waarop hij zich terugtrok wanneer anderen zich lieten gaan. Hij liet na hen met zijn fatsoen hard om de oren te slaan – waarschijnlijk omdat hij dat onfatsoenlijk vond.

Dat pleit voor hem als mens, maar niet voor hem als politicus. De nieuwe leider van de PvdA moet niet bang zijn voor Geert Wilders. Hij moet Wilders ook niet verafschuwen. Hij moet zin hebben in Geert Wilders.

Onlangs zag je nog hoe het niet moet: PvdA-Europarlementariër Thijs Berman ging de confrontatie aan met PVV-kamerlid Louis Bontes over het gesmade meldpunt Oost-Europeanen. Berman was één en al dedain voor de afgrondelijke slechtheid van de volkse PVV-er – uit zowel zijn taal als lichaamstaal sprak dat Berman hem te vies vond om aan te raken. Een paar dagen later steeg de PVV drie zetels in de polls. Waarschijnlijk kan Berman dat niets schelen. Hij staat liever boven zijn tegenstanders dan dat hij er zich mee engageert.

Het ergste wat je in Nederland kunt doen, is de indruk wekken dat je je beter voelt dan een ander. De agressie tegen de PvdA komt daaruit voort: een partij van regenten die goed voor zichzelf zorgen en die zich ook nog eens verheven voelen. Vooral dat laatste: zo’n Berman is voor PvdA-haters de incarnatie van de Gutmensch, een haatobject waarover op internet eindeloos wordt doorgereuteld. Het is een rancuneuze obsessie, maar als politicus moet je daar mee om kunnen gaan.

De meeste Nederlanders vinden het meldpunt van de PVV afzichtelijk. De beste politieke respons lijkt me: zoiets doen wij Nederlanders niet. Politici als Berman krijgen dat niet over hun lippen, omdat ze boven benepen nationalisme staan. Fataal.

Daarmee zijn we bij de tweede kracht die Cohen als partijleider heeft ondermijnd: zijn eigen partij. In de run op het leiderschap zag je wat er daar mis is: iedereen is zo opzichtig voor zichzelf bezig. Er is geen partijlijn. Je kunt je afvragen of er nog wel een partij is. Ik weet het, in iedere partij zijn flinke verschillen van inzicht – maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Frans Timmermans er een totaal ander wereldbeeld op na houdt dan Hans Spekman – en dat Martijn van Dam er helemaal geen wereldbeeld op na houdt. En Jeroen Dijsselbloem iedere paar jaar een ander wereldbeeld.

Of men elkaar mag? Ik heb de indruk van niet.

Zo gezien heeft de grootste troef van de PvdA – de veelgenoemde Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher – ook iets van een noodverband. Asscher heeft, denk ik, begrepen dat een hedendaagse sociaaldemocraat een gemeenschapsdenker moet zijn. Sociale cohesie bewerkstellig je niet door enkel een zakelijke aanpak van misstanden, door de tasjesdieven achter slot en grendel te zetten. Je krijgt het ook niet terug door te blijven erkennen dat de autochtonen in de achterstandswijken lijden onder „een gevoel van verlies’’, dat te laat erkend is door de partij van voorheen de arbeiders. Dat weten we nu wel. Burgerschap, die panacee van academisch links voor een versplinterde samenleving, kan geen inhoud krijgen zonder moraal en identiteit, twee begrippen waarvoor juist links de afgelopen decennia een akelig soort smetvrees heeft ontwikkeld. Wanneer men blijft weigeren daar inhoud aan te geven, blijft ieder links verhaal gemakzuchtig wensengagement of academische luchtfietserij.

Asscher begrijpt dat. Zijn eigen partij niet of nauwelijks. Dat lijkt me een probleem.

    • Bas Heijne