Ethiekles is een sluitpost

Fraude Op verzoek van deze krant bekeken drie Nederlandse onderzoekers een Amerikaanse film over fraude in de wetenschap. En daarna discussieerden ze. “We weten niet of de affaire Stapel een uitzonderlijk geval was.”

Margriet van der Heijden

Aan het einde van de interactieve film The Lab mag hoofdrolspeler Kim Park zich een morele overwinnaar noemen. Ze heeft fraude ontdekt en aangekaart en de fraudeur is bestraft. Maar Park is óók naar een ander lab verhuisd, omdat de sfeer op haar oude lab ondraaglijk was geworden. En haar onderzoek heeft een jaar vertraging opgelopen.

“Wie fraude aankaart, betaalt daarvoor een prijs”, beaamt neurofysioloog Huib Mansvelder (1968). Hij leidt aan de Vrije Universiteit Amsterdam een onderzoeksgroep die onder meer bekijkt hoe sociaal geaccepteerde verslavingen zoals roken de hersenen beïnvloeden. Op verzoek van deze krant boog hij zich over deze film, samen met nog twee leden van De Jonge Akademie (DJA). Aardwetenschapper Maarten Kleinhans (1972) leidt een onderzoeksgroep die aan de Universiteit Utrecht rivieren en delta’s bestudeert. Filosoof Ingrid Robeyns (1972) leidt aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam het onderzoek op het raakvlak van politieke filosofie, ethiek en economie.

Belangrijker dan het lot van Kim Parks was wat de film en passant ook toont: namelijk wat in de VS gebeurt tegen wetenschapsfraude. Kunnen Nederlanders daar iets van leren? Of algemener: hoe voorkom je fraude in de wetenschap? En: hoe spoor je het zoveel mogelijk op?

Hoe groot is het probleem? Dat willen de drie wetenschappers eerst vaststellen. De affaire Stapel zette wetenschapsfraude in één keer weer op de kaart. “Maar is dit een incident of het topje van de ijsberg?”, vraagt Mansvelder.

Er zijn natuurlijk allerlei mechanismen die fraude tegengaan, zeggen de drie wetenschappers. Onderzoekers lopen elkaars resultaten na. Ze kunnen elkaars proeven herhalen, enquêtes nog eens overdoen. En in veel gevallen kunnen ze, als ze dat willen, ook de ruwe data van een ander bekijken. Maar: dat gaat (nog) niet altijd en geen enkel systeem is waterdicht, nuanceren ze eveneens.

“Toch was de affaire Stapel een uitzonderlijk geval”, denkt Kleinhans. “Dat is mijn intuïtie ook”, zegt Robeyns. “Maar we weten het niet zeker”, zegt Mansvelder.

Ook kleinere vergrijpen zijn natuurlijk denkbaar. Tijdsdruk en competitie zouden je ertoe kunnen verleiden ‘bochten af te snijden’ – daarvoor waarschuwt een integriteitspersoon (de Research Integrity Officer, zoals verbonden aan elke Amerikaanse universiteit) in de film. Je zou je labjournaal, al dan niet digitaal, kunnen laten versloffen, bijvoorbeeld – nog geen fraude trouwens. Een tijdrovend controle-experiment achterweg kunnen laten. Een afwijkend meetpunt kunnen verwijderen – en ja, dan kom je dus op glad ijs.

Wat zeggen deze drie DJA-leden over die werkdruk? Het wetenschappelijk bedrijf is de laatste decennia in elk geval sterk veranderd, vinden zij. “Vroeger was er aan universiteiten ook plek voor ietwat sociaal onaangepaste mensen”, zegt Robeyns. “Mensen die misschien vijf jaar lang stil waren en dan ineens met iets bijzonders kwamen. Dat kan absoluut niet meer: nu moet je sociaal vaardig zijn en jezelf kunnen verkopen.”

“Bij het aanvragen van sommige NWO-onderzoekssubsidies is het zelfs een vereiste dat je je onderzoek snel en goed over het voetlicht kan brengen”, valt Kleinhans in. “En dat vind ik niet per se slecht. Tenslotte wil de maatschappij geïnformeerd worden over de besteding van publieke onderzoeksgelden, en collega’s willen kunnen mee discussiëren over de resultaten. Goed kunnen communiceren is dus belangrijk. Alleen: zo selecteer je misschien niet de allerbesten in de wetenschap.”

Mansvelder: “Je selecteert mensen die efficiënt zijn en goed geld kunnen binnenhalen. Of zulke mensen ook sneller geneigd zijn om een bochtje af te snijden? Zou kunnen.”

Sluitpost

De werkdruk heeft in elk geval dit effect, zeggen zij: dat onderzoeksleiders zo druk bezig zijn met geld binnenslepen en onderzoeksvoorstellen schrijven, dat de begeleiding van promovendi erbij inschiet. In grote onderzoeksgroepen, zoals in de medische wereld, moet een onderzoeksleider de dagelijkse begeleiding in het lab aan ervaren analisten of andere medewerkers overlaten, zegt Mansvelder. En discussies over de ethische kanten van het onderzoek schieten er bij in. Robeyns: “Als je 50 tot 60 uur keihard werkt zijn zulke discussies natuurlijk de sluitpost.”

“De pauzes van congressen zonder wifi, dat zijn de momenten om nog eens een praatje met promovendi te maken – zo zie ik het vaak gaan”, beaamt Kleinhans. Jammer, vinden ze alle drie. Want een goede leermeester hebben is belangrijk in de wetenschap. Robeyns: “Maar een goede leermeester zijn kost tijd.”

Bladen met ‘big tits’

En de publicatiedwang? Wat voor effecten heeft die? “Als je mensen geen worst voorhoudt, gaan ze niet rennen. Je moet ze belonen”, zegt Kleinhans. “Maar het is te ver doorgeschoten. Er wordt veel te veel nadruk gelegd op publicatie in high impact wetenschapsbladen, zoals Science en Nature. Terwijl in mijn vakgebied, bijvoorbeeld, deze bladen er niet toe doen. Mijn slechtste experiment ooit – ik sta achter de uitkomst, maar het was echt mijn slechtste – haalde de cover van Nature. En mijn mooiste werk werd niet in review genomen door de redacties van Nature en Science. Het verschijnt wel in het blad dat in mijn vak telt: het Journal of Geophysical Research. Of zoals een topper uit mijn vakgebied eens zei: ‘There are excellent journals for our science and there are journals with big tits’.”

“Maar ja”, zegt Mansvelder. “Je wordt wel op die high impact-publicaties afgerekend, want ze bepalen je plek op de ranglijsten.” En daarmee hoeveel subsidie je kunt binnenhalen, en wat voor baan je krijgt.

En dus spelen onderzoekers het spel mee. Ze proberen zoveel mogelijk te publiceren in die high impact-bladen, zelfs al ‘hypen’ die vaak hun onderzoek. Ze verzamelen zoveel mogelijk publicaties. En geregeld worden er afspraken gemaakt over wie hun naam allemaal boven een publicatie mogen zetten.

Soms verschijnen er papers met de namen van wel honderd onderzoeksleiders erop, zegt Kleinhans. “Hebben die allemaal geld bijgedragen en een idee?”, vraagt hij ironisch. “Hoe klein waren die ideeën en bedragen?”

Het leidt tot verbazing bij Robeyns. Ze kent dit niet uit de filosofie. “Als je hoogleraar bent met een vaste baan , dan ben je toch in de positie om ook af en toe iets tegen dat doorgeschoten systeem te doen?”, vraagt zij. En ze noemt het publiceren in voor iedereen toegankelijke open access-bladen, in plaats van in de high impactbladen die nu het monopolie voeren.

Maar Kleinhans en Mansvelder sputteren tegen. Mansvelder: “Ik heb net zo goed een tijdelijke baan. Als ik mijn werk niet goed doe, word ik er ook uit geflikkerd.” Kleinhans tegen Robeyns: “Het scheelt dat in jouw vak toch al over ethische kwesties wordt nagedacht. Bèta’s hollen allemaal achter de resultaten aan.”

Ethieklessen

En nee, dit soort zaken leidt niet per se tot fraude, denken deze drie wetenschappers. Maar ze werken wel slordigheid in de hand. Ze verslechteren de begeleiding van promovendi. En soms verleiden ze onderzoeksleiders er dus toe om hun naam boven een artikel van (verre) medewerkers zetten terwijl ze de ruwe data niet hebben gezien, laat staan gecontroleerd. Wat is daar tegen te doen?

Kleinhans: “Een stel kleinere bladen eist sinds kort dat de onderzoeksleider vóór publicatie tekent dat hij die ruwe data heeft gezien.” Die eis zou, denken ze alle drie, de rest van de bladenwereld moeten overnemen.

Daarnaast zou de invulling van het ‘leermeesterschap’ niet helemaal aan individuen moeten worden overgelaten. Robeyns: “Toen ik in Cambridge promoveerde, kregen alle promovendi in het eerste jaar een vak research skills. Over wat kwaliteit is, hoe je moet citeren, hoe groot de werkdruk kan zijn. Dat soort zaken draag ik nu informeel aan mijn promovendi over.” Maar beter ware het, vinden Kleinhans en Robeyns, als alle jonge onderzoekers in Nederland ook zo’n cursus kregen waarin ze reflecteren op hun vak.

“Voorkomt dat fraude?”, vraagt Mansvelder sceptisch. “Je maakt dingen in elk geval bespreekbaar”, zegt Robeyns. “Dat maakt het aankaarten van slordigheden of fraude ook gemakkelijker.”

Mansvelder hamert op iets anders: namelijk dat de zaken nu telkens aan het toeval worden overgelaten. Op het ene lab hebben promovendi en onderzoeksleider dagelijks contact, op het andere spreken ze elkaar zelden. In het ene lab wordt in de koffiehoek over ethische kanten van het onderzoek gepraat, in het andere lab vindt nooit zo’n gesprek plaats. Net zoals dus vaste regels ontbreken voor het plaatsen van auteursnamen boven onderzoeksartikelen. Mansvelder: “En als je zaken aan het toeval overlaat, dan laat je ook ruimte voor individuele uitwassen, zoals in het geval Stapel.”

“Maar”, vraagt Kleinhans zich onmiddellijk af. “krijg je zulke extreme uitwassen echt weg met regeltjes?”

Amerikaanse toestanden

Er zijn in elk geval een paar regels uit de VS die deze DJA-leden liever niet overnemen. Mansvelder: “Wat me verbaast in de film is hoe makkelijk je iemand kunt aanklagen. Een vermoeden uitspreken is genoeg.” Gevaarlijk, vindt ook Kleinhans, want mensen kunnen valse beschuldigingen uiten. “Anderen denken dan toch gauw: waar rook is, is vuur.”

“Maar”, riposteert Mansvelder, “alles overlaten aan de rector magnificus [zoals in Tilburg, vóór de affaire Stapel, red.] is ook niet genoeg.”

Elke universiteit zou, vinden ze alle drie, een vertrouwenspersoon moeten hebben die het wetenschappelijk bedrijf goed kent én die verder liefst onafhankelijk is van de universiteit.

En als zo iemand constateert dat hoogstwaarschijnlijk is gefraudeerd? “Dan moet hij of zij net als in de VS computers en dergelijke direct in beslag kunnen nemen”, zegt Kleinhans. “Natuurlijk”, valt Mansvelder bij. “Als je zoals Stapel hebt gerommeld dan is het een politiezaak geworden.”

“Maar zulke extreme gevallen acht ik zeldzaam”, zegt Kleinhans nog maar eens. “En zelfs al ontdekken we tien keer meer fraudezaken dan nu, dan zijn het er nog weinig.”

“Maar we weten het dus niet”, zegt Robeyns.

Zelfcensuur

Zo keert het gesprek terug naar de vraag hoe je het systeem zo kunt inrichten dat je fraude beperkt. Robeyns: “Wat ik zorgelijker vindt dan die ene extreme Stapel is dat de overheid universiteiten steeds minder rechtstreeks financiert en onderzoekers steeds vaker dwingt geld bij bedrijven te zoeken. Dat werkt kleinere, maar eveneens kwalijke ethische misstappen in de hand.”

“Daar ben ik het gloeiend mee eens”, zegt Kleinhans. “Wie geld krijgt van een bedrijf, ik heb het zelf ook ervaren, die komt in de verleiding te buigen voor wensen van de opdrachtgever.” Zeker omdat onderzoeksgroepen steeds meer leunen op geld van derden.”

“Als je geld krijgt van iemand, doe je sowieso aan zelfcensuur. Zo werkt het nu eenmaal”, zegt Robeyns.

“Weer wordt het aan het individu overgelaten”, zegt Mansvelder. “Als ik als nicotine-onderzoeker bij wijze van spreken met sigarettenfabrikant Philip Morris in zee ga, dan is er niemand die me waarschuwt. Sterker, het universiteitsbestuur zal het prachtig vinden.”

En dat voert ons naar Den Haag, stelt Robeyns. “Want waarom wil het universiteitsbestuur dit? Omdat Den Haag alsmaar bezuinigt.” Het topsectorenbeleid stelt samenwerking met bedrijven zelfs als voorwaarde voor overheidsfinanciering, zegt Mansvelder wat zorgelijk. Kleinhans: “We zijn het product kennis in rap tempo om zeep aan het helpen.”

We zouden dus, zeggen de drie DJA-leden, het belang van waardevrije wetenschap meer moeten uitdragen. In Den Haag. Maar ook in de zo competitief geworden wetenschap zelf. Bijvoorbeeld door de kernwaarden van de wetenschap te benadrukken – waarheidsvinding bijvoorbeeld, en werk doen ten bate van de maatschappij. Waarden die haaks staan op fraude, plagiaat en het min of meer bijstellen van resultaten

De eed van Darwin? Newton?

“Misschien”, stelt Robeyns voor, “moet je alle promovendi bij hun promotie een eed laten afleggen. Zoals de eed van Hippocrates bij artsen. In zo’n eed zouden ze dan moeten beloven de waarden van de wetenschap in het oog te houden.”

“Met in de kleine lettertjes extra bepalingen, zoals dat je geen resultaten mag achterhouden omwille van de geldschieter”, zegt Mansvelder ironisch. “ Maar wat als je zondigt?”

Kleinhans: ”Dan raak je je doctorstitel kwijt.” Maar dat is niet het enige, zegt Robeyns. “De eed dient ook als leidraad en als ruggesteun. Denk aan de arts. In een moeilijke situatie kan hij bij zich zelf denken: wacht, ik heb een eed afgelegd. En dat kunnen wetenschappers dan ook.”

“En als je in een bedrijf gaat werken? Waar je misschien moet zondigen?”, vraagt Mansvelder sceptisch. Robeyns: “Dan maken we de eed voorwaardelijk – alleen voor als je in de wetenschap gaat werken.” En het is een klein symbool natuurlijk, maar toch lijkt het zomaar een goed idee.

    • Margriet van der Heijden