'Een portret hoeft niet te lijken'

Jasper Krabbé probeerde zijn vrouw en muze in 250 schilderijen te vangen. Kun je een ander echt kennen, vraagt hij zich af bij een clubsandwich.

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Lunchen met Jasper Krabbe, Rotterdam, Kunsthal, 22/02/12

Tweehonderdvijftig schilderijen met steeds dezelfde vrouw erop. Met make-up en zonder, bloot en aangekleed, slapend en wakker. Ze is met houtskool op papier gezet, met waskrijt of met verf. Soms met grove streken, soms gedetailleerd. Je herkent haar aan haar amandelvormige ogen, de scherp getekende wenkbrauwen, de lange hals, haar trotse uitstraling, haar slanke lichaam.

Ik ken de vrouw niet. Maar na het zien van al die afbeeldingen van haar in het boek Closer to you moet ik weten wie ze is. Dat is tenminste de bedoeling. Want samen zijn de schilderijen één portret. Het portret van Floor, 37 jaar, moeder van twee dochters (9 en 10), arts.

De schilder is Jasper Krabbé, 41 jaar, zoon van schilder Jeroen Krabbé, kleinzoon van schilder Maarten Krabbé, achterkleinzoon van Hendrik Maarten Krabbé, portretschilder.

Rembrandt had Saskia, Petrarca had Laura en Jasper heeft Floor. Of Florrie, zoals hij haar noemt. Zestien jaar geleden ontmoette hij haar voor het eerst op een lentefeest. „Zij liep langs me de trap op en ik werd weggebla-zen. Directe fascinatie. Die is nooit meer weggegaan.” Ze werd zijn vrouw. Zijn muze. De eerste nacht had hij er geen tijd voor, maar bij de tweede ontmoeting, in een café, maakte hij zijn eerste schetsje van haar, op een vodje. Vanaf 2011 is hij haar „obsessief” gaan tekenen, zegt hij. Anderhalf jaar lang. Soms drie keer per dag, soms drie dagen niet. Het resultaat hangt vanaf vandaag in de Kunsthal in Rotterdam, ongeveer 100 werken staan in het boek Closer to you.

Zijn handen zijn die van een werkman. Ruwe huid, witte verf in de poriën alsof het de nerven zijn van een slordig geschuurde tafel, blauwe duimnagel. Zwart jasje, zwarte spijkerbroek, zwarte werkmansschoenen. Zijn stem en intonatie klinken als die van zijn broer Martijn, presentator van het televisieprogramma Voice of Holland. Onstuimig optimistisch.

We lunchen in het pas geopende Conservatorium hotel in Amsterdam. In deze buurt groeide hij op, als middelste van drie (zijn broer Jakob is 13 jaar jonger). Als je goed zoekt, zijn er op gebouwen en muren in dit stadsdeel vast nog tags of pieces van hem te vinden. Hij maakte ze toen hij veertien was, van hiphop hield en graffiti spoot, die hij ondertekende met JAZ.

De tafels in de brasserie staan dichtbij elkaar. Te dichtbij elkaar. Dus gaan we aan een tafel zonder buren zitten. Hij bekijkt de menukaart, maakt zich vrolijk over de ‘cinnamon glazed carrots’, bestelt een club sandwich en vraagt de worteltjes erbij. „Gewoon, omdat het kán.”

Hij heeft van tevoren nooit bedacht dat hij precies 250 portretten van Floor zou gaan maken. „Ik ben gestopt op het moment dat ik het gevoel had dat ik het had.” Wat had? Het? Of haar? Hij zucht. Hij heeft net verteld dat hij zo gefascineerd was door Floor omdat ze zo ongrijpbaar is. „Haar portret is opgebouwd uit afzonderlijke delen. Heel veel plaatjes geven samen één compleet beeld. Misschien is het beeld niet 100 procent gelijkend, maar het is wel haar spirit die je ziet. Ze is het bij benadering.”

Hij heeft het eerder zo gedaan. Toen maakte hij een zelfportret. Dat bestond uit honderd verschillende schilderijen van zichzelf. Een verzamelaar heeft het werk later van hem gekocht. „Een goed portret hoeft niet te lijken. Als de kern van de persoonlijkheid maar zichtbaar wordt. Ik dacht: als ik nou al die aspecten van één persoonlijkheid samenbreng, dan moet de identiteit door de verflagen heen zichtbaar worden.”

Laten we eens kijken of klopt. Kan ik bedenken wie Floor is, na het zien van (bijna) alle schilderijen? Ik weet niet eens hoe ze er uitziet. Ik twijfel of ze Indisch donker is, of Hollands blond. Ze is, zegt Jasper Krabbé, honingblond. „Soms ziet ze eruit als een Tunesische filmster, soms als Assepoester. Soms verveeld, soms uitdagend.” De grap is, zegt hij, ze is het allemaal. Al die verschillende gedaantes. „Weird.”

Het ene portret van haar is beter gelukt dan het andere, het lijkt meer of minder. Snapshots, noemt hij dat. Plaatjes die je, als het digitale foto’s waren geweest, misschien gewist had. „Ook het minder mooie hoort erbij.” Perfectie is niet realistisch. „Dan wordt het zoals Facebook, waar iedereen zich van de beste kant presenteert.” Hij vergelijkt zijn werk liever met Google search. „Heel veel beelden van hetzelfde.”

Ik kan uit de schilderijen niet opmaken dat ze moeder is, of arts. „Had ik haar dan met een kind moeten schilderen? Of in een witte jas?” Hij schudt zijn hoofd. „Dat is veel te letterlijk. Zo haal je de poëzie ervan af. Ik geef geen compleet beeld, ik toon haar zoals ik haar zie.” Er is een schilderij bij waarop ze, toen ze poseerde, keek naar een foto van hun jongste dochter. „Ik laat zien wat er bij haar gebeurt. Haar blik verandert . Je ziet haar verwondering.” Hij lacht ontwapenend. „Toch?”

Wat ik wel kan zien is dat ze heel mooi is, Floor. „Ze heeft weleens patiënten die tegen haar zeggen: ‘I’ll have what you’re having’.” Ze willen net zo mooi worden als zij. Floor is cosmetisch arts, gespecialiseerd in verjonging en vermooiing. Ze opereert niet, injecteren doet ze wel. „Ze is ontzettend goed. Jonge meiden die vollere lippen willen? Doet ze niet zomaar. Iemand die een glad huidje wil, maar al vijftig jaar rookt? Dat gaat niet lukken. En dat zegt ze ook.” Ze is, zegt hij, een verdienstelijk tekenaar, en beeldhouwen kan ze ook goed. „Ze weet precies hoe ze iemand het beste kan laten uitkomen.”

Lippenstift

Er is een schilderij waarop ze haar teennagels knipt. Of wijdbeens op bed ligt. Lippenstift testend bij de make-updesk van Chanel. Werd ze het poseren nooit eens moe? „Die waarop ze lippenstift uitzoekt, dat was op Schiphol. Ik zag haar, ze had het niet eens in de gaten. Een snelle schets op een vodje. Later heb ik die uitgewerkt.” Al zijn portretten zijn gemaakt op ‘gevonden’ papier. Een kartonnen omhulsel, een envelop. „Ik heb haar ook wel getekend terwijl ze een ei stond te bakken. Juist tijdens nietszeggende bezigheden lijkt ze het meest zichzelf.”

Dat was de vraag niet. Ik vroeg of ze niet gek van hem werd. „Heb je die ene gezien waarop in rode letter ‘No’ staat, en ‘Nein’, dwars door haar gezicht?” Dat was dus de keer dat ze ontzettende ruzie hadden, zij ‘er helemaal klaar mee was’. En hij ook. En daarna pakte hij de rode verf. „Ken je het schilderij ‘Judith onthoofdt Holofernes’ van Caravaggio? Die afschuw, die afkeer op haar gezicht. Zo kan Floor ook kijken.”

Inmiddels, zegt hij, heeft ze er vrede mee muze te zijn. Ze is zelfs wel trots. „Ik heb het boek vrij kuis gehouden. Op de tentoonstelling in de Kunsthal zijn wat explicietere beelden. Natuurlijk is haar lichaam een aspect van onze relatie. Maar als ik er te veel van toon, wordt het pijnlijk voor de toeschouwer. Alsof je de vakantiefoto’s van de buren zit te bekijken; buurman op het strand, buurman bloot, buurman met een erectie. Dat is genant.” Hij vindt het niet prettig, zegt hij, om privézaken in het publieke domein te brengen. „Ik zit niet op Facebook, niet op LinkedIn. Klinkt gek uit mijn mond, maar altijd alles met iedereen delen? Geen denken aan.”

Maar je vrouw deel je wel, vraag ik, voorzichtig. Hij lacht. „Ik deel alleen mijn interpretatie van haar. Wat er van haar in mijn hoofd zit. Als je het portret niks vindt, heeft zij het niet verkeerd gedaan, maar ik.” Dit was, zegt hij, een zuivere zoektocht naar wat een portret is. Een zoektocht die begon bij Hendrik Maarten Krabbé, portretschilder uit 1868 en de grootvader van Jaspers vader Jeroen. „Mijn vader en ik delen vooral praktische schilderzaken. Dan heeft hij te gekke verf gevonden die ik absoluut moet proberen.”

Moet je iemand kennen, vraag ik, om een goed portret te kunnen maken? „Het hoeft niet”, zegt hij. „Maar het helpt wel.” Hij maakt vaak portretten in opdracht (dan is het er meestal maar eentje). Hij gaat bij de opdrachtgever op bezoek, observeert, kijkt hoe iemand zich beweegt. „En dan doe ik er het mijne mee. Een goed portret is een doorvoeld portret.”

En voor één goed portret heb je dus 250 schilderijen nodig?

De vraag komt harder aan dan ik bedoelde. „Dat is een gewetensvraag. Zijn dit 250 probeersels. 250 vergissingen. Grijp ik steeds mis?”

Of is het onmogelijk om een portret te maken waarin echt iemands ziel verscholen ligt?

Misschien, denkt hij. „Want terwijl je schildert verstrijkt de tijd. Veranderen kleuren. Verwissel je van plaats.” Hij houdt van reizen. „Mijn ouders hebben me vanaf mijn zevende overal mee naar toe genomen. Afrika, Azië. Amerika. Dat heeft me gevormd.” Hij schilderde Floor in Biarritz, Curaçao, Dalfsen, Bali, Clavier. Dalfsen, daar staat het buitenhuis van zijn ouders. „Gingen we elk weekend heen. Ik vanaf mijn 15de niet meer, of met enorme tegenzin. Nu heb ik er zelf een huis.” In Zuid-Frankrijk woont de moeder van Floor. Naar Curaçao gaan ze omdat de kinderen het daar fijn vinden. „Grote concessie. Curaçao is vakantie, geen reis. Je wordt er niet door gevoed.”

Alpinopet

Misschien, zegt hij, is het ‘moment’ niet te vatten. Is het onmogelijk een ander echt te kennen. En is het hem niet gelukt haar identiteit te vangen. Dan zou deze schilderijenverzameling het bewijs zijn van dat onvermogen. „Misschien leer je je vrouw beter kennen als je haar uit eten neemt, en daarna naar de film.” Hij weerlegt het zelf meteen. „Er gebeurt wel iets als je iemand zo vaak en zo lang zit te tekenen. Er ontstaat een ander soort concentratie. Je gaat anders naar iemand kijken.” Concentratie noemt hij het, niet inspiratie. „Het is een misverstand dat inspiratie alleen komt als je rode wijn drinkt en een alpinopet op zet.” Het is werk.

Al direct na de kunstacademie ging hij elke dag naar zijn atelier. „Eerst sporten. Rennen of krachttraining. En dan schilderen tot een uur of zes. Als je lang genoeg probeert, daalt de genade soms over je. Dan ontstaat er iets.”

Het resultaat van zijn zoektocht naar het ‘ware portret’ is ‘waarachtiger’ dan een foto, vindt hij. „Je moet de tijd nemen om het te zien. Weet je hoe lang een bezoeker van een museum gemiddeld naar een schilderij kijkt? Zes seconden. En in die tijd heeft hij ook het naambordje gelezen.” Wie Floor wil zien, heeft ten minste 250 seconden nodig.

Vraag is, wat er met de portretten vol Floor gebeurt als de tentoonstelling in de Kunsthal voorbij is. De schilderijen zijn niet afzonderlijk van elkaar te koop. „Misschien is er weer een verzamelaar die alles wil hebben.” Maar dan nog weet Jasper Krabbé niet zeker of hij het wel wil verkopen. „Het voelt beter om haar bij me te houden. Floor zei al: anders koop ik het van je.”

    • Rinskje Koelewijn