De Russen horen niet Europeanen bij ons soort 'Meer Europa' is onverstandig voor zo'n cultureel gespleten continent

Tussen West- en Oost-Europa lopen diepe culturele breuklijnen. Die worden vaak miskend, betoogt Robbert van Lanschot. ‘Meer Europa’ lijkt hem geen goed idee.

Onlangs zat ik met enkele Congolese kennissen een hapje te eten in de Tam-Tam Gourmand aan de Waverse Steenweg in hartje Afrikaans Brussel. Tijdens de koffie zwenkte het gesprek naar het thema allochtonen uit de Balkan in België. „Oh, maar dat zijn faux blancs!”, riepen mijn tafelgenoten in koor – ‘onechte blanken’.

Oef, politiek klinkt die typering natuurlijk niet zo heel erg correct. Maar ze heeft wel de verdienste om met weinig woorden veel te zeggen – zoiets als die woordvondst ‘oudere jongeren’ van Koot en Bie. En ze is ook niet zonder belang. Zelfs Afrikaanse nieuwkomers voelen kennelijk dat er een culturele kloof door Europa loopt. Wij in West-Europa hebben het over ‘Oost-Europeanen’ of bijvoorbeeld ‘mensen uit de Balkan’. We beperken ons tot een geografische typering. Maar Afrikanen geven er zonder enige gêne meteen ook een culturele lading aan. Dat merkte ik eerder ook in Nairobi waar de steeds talrijker Oekraïense en Russische safarigangers, zelfs als zij er na een hevige winter extreem bleek uitzien, voor de locale bevolking toch niet onder de wazungu (de blanken) vallen.

Op zich zou dit allemaal niet erg relevant zijn, ware het niet dat sommige politici en commentatoren menen dat we nieuwe Eurocrises kunnen bezweren via een quantumsprong richting ‘meer Europa’. En dat roept de vraag op: willen we in een cultureel gespleten continent eigenlijk wel vlak naast elkaar op een en dezelfde canapé zitten met mensen van wie wij ver af staan, die wij niet goed begrijpen en met wie wij door een en ander niet zo veel lotsverbondenheid voelen?

Kunnen en mogen we binnen het geografische Europa een splitsing maken tussen ‘ons soort Europeanen’ en de anderen? En mogen we daar dan bovendien ook nog politieke consequenties – bijvoorbeeld een rood licht voor ‘meer Europa’ – aan verbinden?

Vaak wordt het bestaan van culturele breuklijnen in Europa miskent. Zo stelde voormalig premier Guy Verhofstadt van België onlangs in de Telegraaf: „Er is wel degelijk een Europese cultuur. Van hier tot aan de Wolga”. Maar is dat wel zo? De Russen vinden in ieder geval van niet. Zij zien zichzelf in culturele zin heel nadrukkelijk als niet-Europees. „Wij zijn niet westers en wij zijn niet oosters; we zijn een volk ‘sui generis’” plegen ze trots te zeggen. Sint-Petersburg werd destijds niet gebouwd als intra-Europees doorgeefluik maar als een ‘venster op Europa’.

In de Sovjetperiode, toen de grenzen dicht zaten, waren er twee steden waarheen Sovjettoeristen met vakantie gingen als ze zo nodig eens een ‘Europese sfeer’ wilden proeven: Tallinn in het huidige Estland en Lvov (Lemberg), een Poolse stad, die in 1945 door Stalin werd geannexeerd. Maar verder was er geen enkele andere plek die kwalificeerde. Zo zou geen enkele Sovjetburger het in z’n hoofd hebben gehaald om, laten we zeggen, in Kiev of Vilnius ‘Europa’ op te snuiven.

West-Europeanen zagen vroeger Rusland, inclusief het huidige Oekraïne en Wit-Rusland trouwens, nog als iets dat meer bij Azië hoorde. Daar kwam pas verandering in toen de Russische geograaf Vasili Tatisjtsjev in de achttiende eeuw de tsaar ervan wist te overtuigen een ‘Europese’ grens te trekken langs het Oeralgebergte en, meer naar het zuiden, langs de Oeralrivier, die uitmondt in de Kaspische Zee.

Maar dat was in wezen intellectuele spielerei. Want oude Siberische steden als Tobolsk en Irkoetsk weken in karakter en cultuur niets af van Russische steden ten westen van de Oeral. Een merkwaardig gevolg van Tatisjtsjevs grens is dat Kazachstan in beginsel lidmaatschap van de EU kan claimen. Een klein stukje van dat aan China grenzende land ligt namelijk aan deze kant van de Oeralrivier. Het is dus vanuit EU-optiek even ‘Europees’ als Turkije. Maar niemand die in Kazachstan rondreist, zal zich in Europa wanen.

Lastiger is de vraag of ook de Balkan, per definitie een ingewikkeld gebied, cultureel gezien buiten ‘ons’ Europa valt. Mijn inziens is dat inderdaad het geval, althans bij grote delen ervan. Toen ik kort na de eeuwwisseling in Serajevo werkte, gold voor veel expats dat Europa begon op een heel precies punt, namelijk midden op de brug over de Neretva in Mostar. Serajevo zelf viel er buiten. Ieder weekend was er vanuit de hoofdstad een stampede in westelijke richting voor dat relaxte ‘Hè hè, even weer lekker terug in Europa’-gevoel dat opwelde bij het binnenrijden van Mostars Kroatische stadsdeel.

Ook Kosovo valt niet onder ‘ons’ Europa. En datzelfde geldt mijns inziens voor Macedonië, Albanië, Moldavië, het grootste deel van Montenegro, voor de Sandzak en de Presevovallei, allerlei andere stukken van Servië en voor delen van Bosnië, Bulgarije en Griekenland. Zij behoren tot een cultureel cluster waarvan het zwaartepunt in Turkije ligt. Eenieder die zich niet op z’n gemak voelt bij een Turks lidmaatschap bij de EU, zou datzelfde moeten voelen bij een Albanees lidmaatschap of een Kosovaars lidmaatschap. Kosovaarse steden en veel Bosnische steden ogen als steden in het Koerdische deel van Irak. Als je een inwoner van Pristina, Srebrenica of Bratunac mee zou nemen naar Arbil of Sulaymania zou hij, afgezien van de taal, weinig vervreemding voelen.

Met de West-Europese cultuur is daarentegen weinig binding. In deze krant verschijnt een interessante reeks artikelen met als thema ‘Made in Europe’. Het behelst een zoektocht naar „typisch Europese culturele verworvenheden” en de ontrafeling van „het culturele DNA van ons continent”. Er is ook een bijbehorende „groslijst” van verworvenheden. Vivaldi staat erop en de garçonne-stijl van Chanel, de klare lijn van Hergé, de Baedeker-reisgids, Jacques Brel, Van Gogh, de Hollandse genrestukken van Vermeer en het zigeunergevoel bij de componist Puccini. Allemaal dus, sorry, heel erg West-Europese zaken.

Alhoewel, zigeunergevoel bestaat ook op de Balkan. Ik woonde en werkte in 1999 in Pristina en zag hoe de Albanese Kosovaren de Roma-zigeuners uit de stad verdreven en hun wijk in as legden. Ook in West-Europa hebben we ons verschrikkelijk slecht tegen zigeuners gedragen. Maar tegelijkertijd blijven zigeuners – de kampvuren, dat gedoe met paarden, de zigeunermeisjes – voor ons toch met een vlaag romantiek omgeven. Daarom kunnen wij inderdaad met Puccini meevoelen.

De mensen in Kosovo kunnen dat niet. In een emailwisseling schreef de beheerder van de groslijst me dat „de items op de lijst zo internationaal zijn dat ze ook in Kosovo en Macedonië als belangrijk erfgoed worden beschouwd of zelfs al onbewust zijn geïnternaliseerd”. Maar dat is niet zo. Niemand op de Balkan ervaart Chanels mantelpakje, de kookkunst van Bocuse, Lindgrens Pipi Langkous, de Engelse landschapstuin, de essays van Montaigne of Lego-speelgoed als onderdelen van het eigen culturele erfgoed. Bij Lego heb ik even getwijfeld. ‘The Lego Group is represented in many parts of the world’, meldt de Deense speelgoedmaker trots op z’n website. Maar als je dan de inderdaad indrukwekkend lange locatielijst langs loopt, zie je dat er geen enkel Balkanland op staat.

Ook bij dat veronderstelde internaliseren kan ik, als voorbeeld, kanttekeningen maken. Tienduizenden Kosovaren hebben in Zwitserland in de bouw gewerkt. Dan zou je verwachten dat ze bij terugkeer die nuchtere, heldere Zwitserse bouwstijlen en knappe technieken niet alleen hebben geïnternaliseerd, maar ook direct gaan toepassen. Dat ze overal in de Kosovaarse bergen – weliswaar met misschien wat goedkopere materialen – puike chalets neerzetten. Maar niets is minder waar. Ze stropen de mouwen op en bouwen gewoon weer echte ‘Kosovaarse’ woningen – logge, asymmetrische, voor ons vreemd ingedeelde huizen met complexe dakconstructies. Waarom? Omdat ze Kosovaren zijn die Kosovaarse huizen willen. Zeker op het platteland zien die bouwsels er vaak rauw en intimiderend uit. En dat moet ook, want het eigen huis is de plek om de eer van de familie te bewaken. Het moet ook als bolwerk kunnen dienen waarin je je terugtrekt wanneer bloedwraak diepe voren door de lokale samenleving trekt.

We zijn in ons denken gegijzeld door een oud Brussels axioma: geografische locatie (‘binnen Europa’) prevaleert boven een al of niet aanwezige culturele verwevenheid en een al of niet aanwezig diep gevoel van historische lotsgebondenheid. Op termijn zullen opnieuw delen van de Balkan op basis van dat axioma in de EU worden geabsorbeerd. Ze liggen immers ‘binnen Europa’. Maar de vraag of, laten we zeggen, de Nederlandse identiteit en de Albanese identiteit eigenlijk wel goed met elkaar sporen, hebben we ons zelden of nooit gesteld.

Dat is merkwaardig omdat we in onze eigen omgeving juist een trend van ontkoppeling zien en ook accepteren. De Schotten gaan in 2014 stemmen over onafhankelijkheid of althans over vergaande autonomie van het Verenigd Koninkrijk. Ook Vlamingen en Walen willen juist meer afstand tot elkaar.

Ik zou zeker niet willen stellen dat het vanwege de komende absorptie van grote stukken Balkan per se een slecht idee is om de richting van een diepgrijpender ‘meer Europa’ in te slaan. Maar het is wel iets waar we mijns inziens nog eens goed over moeten nadenken. Dit temeer omdat bij eventuele verdere uitbreidingen van de EU (Oekraïne? Georgië ? Turkije? Kazachstan?) het soortelijk gewicht van de West-Europese cultuur verder afneemt.

Verhofstadt pleit voor een ‘Verenigde Staten van Europa’. Dat ziet hij zelfs als de manier bij uitstek om de euro te behouden. Voor mij voelt dat toch wel heel erg aan als een risicovol paardenmiddel.

Robbert van Lanschot was als diplomaat werkzaam in onder andere Bosnië en Kosovo. Thans is hij journalist.

    • Robbert van Lanschot