De PvdA zwabbert, dát is het probleem

Niet het fatsoen van Cohen of het succes van de SP zorgt voor problemen in de PvdA, stelt Herman Vuijsje. De partij maakte een neoliberale vergissing en heeft nog altijd last van de gevolgen.

Maasland 12 maart 2009 Bij Rozenkweker Arend. Foto: Walter Herfst

Het is gedaan met de Partij van de Arbeid – dat is een geluid dat op het ogenblik van verschillende kanten wordt gehoord. Twee redeneringen prevaleren daarbij. De eerste is dat alle grote gematigde partijen het afleggen tegen het populisme: floating voters, de partijtrouw voorbij, laten zich betoveren door gemakzuchtige en kortzichtige standpunten van radicale politici. De tweede redenering is dat een linkse partij die ook middengroepen wil aantrekken, definitief passé is.

Beide opvattingen brengen de duikeling van de PvdA in de peilingen in verband met onomkeerbare veranderingen in de manier waarop mensen hun politieke keuze bepalen. Ze gaan voorbij aan actuele en concrete redenen die kiezers kunnen hebben om hun stem nu niet aan de PvdA te geven. Zo zijn floating voters, die nu massaal de in zichzelf verstrikte middenpartijen de rug toekeren, niet alleen een product van individualisering en afnemende partijtrouw. Ze vormen ook een logische contramal van floating parties. De partijen die nu op het grootste verlies staan, PvdA en CDA, hebben beiden de afgelopen decennia onvoorspelbare zwabberbewegingen vertoond.

Bij het CDA is dat nooit anders geweest, het zwabberen zit bij de christen-democraten ingebakken. Vandaag met links, morgen met rechts, terwijl God en kerk voor inspiratie en continuïteit zorgden. Nu die het laten afweten, wordt het gezwabber beeldvullend en treden interne tegenstellingen steeds onbarmhartiger aan het licht, met grote gevolgen voor de levenskansen van de partij.

De sociaal-democraten hebben geen traditie van opportunistisch meebuigen met wisselende partners. Sinds hun opkomst rond de vorige eeuwwisseling hebben ze een reeks oud-socialistische stokpaardjes op stal gezet en natuurlijk moesten ze, wilden ze meeregeren, water bij de wijn doen. Ook was er interne partijstrijd, zoals de opkomst van Nieuw Links eind jaren zestig en de daarop volgende oprichting van DS’70.

Toch bleef een redelijk consequente partijlijn bij dat alles in stand. Een uitzondering deed zich voor in 1918, toen SDAP-voorman Troelstra, beneveld door revolutionaire woelingen elders in Europa, ook in Nederland opriep tot revolutie. Na een week krabbelde hij terug en de ‘vergissing van Troelstra’ werd al snel met de mantel der liefde bedekt.

Veel ingrijpender was de vergissing die premier Wim Kok, en in zijn kielzog de hele PvdA, eind vorige eeuw maakte door het ‘afschudden van de ideologische veren’: de gedachte dat we het voortaan wel af konden zonder sturende, regulerende en controlerende overheid. Deze zwabberbeweging was zonder precedent in de geschiedenis van de Nederlandse sociaal-democratie en had funeste gevolgen. Het samenstel van doorgeschoten verzelfstandiging, privatisering en vermarkting waarvan we nu de wrange vruchten plukken, kon mede dankzij de PvdA soepel worden ingevoerd.

Dat VVD en D66 de overheid wilden terugdringen ten gunste van de markt, was logisch: daarvoor zijn liberale partijen op aarde. Dat het CDA meewapperde, hoeft ook niet te verbazen. Maar de PvdA komt door haar nonchalante negatie van het sociaal-democratisch gedachtegoed een bijzondere verantwoordelijkheid toe voor de aangerichte schade.

Intern was die schade zo mogelijk nog groter, en ook daarvoor geldt dat ze nog steeds doorwerkt. Met de omhelzing van het neoliberale gedachtegoed kwam ook de partijcultuur van soberheid, gematigdheid en verantwoordelijkheid op de tocht te staan. De uitwassen zijn bekend: Wim Kok en ex-vakbondsleider Lodewijk de Waal die schaamteloos salarisverhogingen en bonussen van ING-directeuren goedkeurden. Ex-minister Jo Ritzen die als bestuursvoorzitter van de Universiteit Maastricht tonnen bij elkaar graaide.

Natuurlijk waren dit alleen de bekendste kopstukken. Overal in Nederland gingen managers van woningcorporaties, onderwijsinstellingen en andere sociale instituten over tot zelfverrijking op kosten van de belastingbetalers. In dit ‘sociale middenveld’ zijn traditioneel veel PvdA’ers te vinden. Het leidde tot verlamming van het sociaal-democratisch zenuwstelsel. Door deze voorbeelden droegen vooraanstaande PvdA’ers bij tot het letterlijk ‘demoraliseren’ van partij en overheid.

De uitholling van de PvdA is dus niet alleen te wijten aan het feit dat Cohen ‘te fatsoenlijk’ was voor de hedendaagse politiek. Terwijl hij het fatsoen in Nederland preekte, woekerde binnen zijn eigen gelederen het onfatsoen. In oude tijden werd zulk gedrag in sociaal-democratische kring trefzeker toegeschreven aan het ‘grootkapitaal’. Daarbij hoorden plaatjes van dikke mannen met grote sigaren, schaterend zwaaiend met al even dikke geldbuidels, gevuld op kosten van het volk.

Nu voorbeeldfiguren uit eigen kring zich op dezelfde manier encanailleerden als graaiers in de gemeenschappelijke kas, durfde niemand er wat van te zeggen. Dat wil niet zeggen dat de mensen het niet in de gaten hadden. De in acht genomen stilte maakte de zaak juist nog hopelozer. Dat veel potentiële PvdA-stemmers, gefrustreerd door het beeld van zakkenvullende bestuurders, de wijk namen naar SP en PVV, is alleen maar begrijpelijk.

Is de PvdA in staat de kiezers die ze van zich heeft vervreemd, terug te halen? Nee, zeggen degenen die vinden dat links en het midden niet meer te verenigen zijn. Volgens hen is iedere verwijzing naar de raakvlakken tussen PvdA en SP een vorm van oud-links-nostalgie en zelfdestructie. Don’t mention the SP! De frustratie over het verspeelde electoraat zit bij veel PvdA’ers klaarblijkelijk zo diep dat het SP-woord niet mag worden uitgesproken. Maar waarom? Het is toch zo klaar als een klontje dat beide partijen elkaar overlappen in hun inspiratiebronnen en idealen?

De gedachte dat een PvdA die zich weer als links profileert, zal worden opgeslokt door het zwarte gat van de SP, komt voort uit paniek. Naast raakvlakken zijn er immers levensgrote verschillen. Bij de PvdA geen eurocynisme, geen neiging tot isolationisme en minder behoudzucht op het gebied van arbeidsverhoudingen, AOW-leeftijd en hypotheekrenteaftrek.

Betekent dit dat de raakvlakken met de SP moeten worden verdonkeremaand? Integendeel, al was het alleen maar omdat een deel van die overlap helemaal niet exclusief links is. De erosie van betrouwbare, betaalbare en openbare voorzieningen, de vervaagde verantwoordingsstructuur daarvan, de geldbedragen waarmee de overheid moet bijspringen nadat directeuren de gemeenschappelijke kas hebben geplunderd: je hoeft waarachtig niet links te zijn om je daarover op te winden.

Die voorzieningen zijn ook in het belang van middengroepen. Ook zij spekken tandenknarsend de zakken van falende managers en ook zij snappen dat alleen de overheid soelaas kan bieden. In het licht van de recente verwikkelingen rond ABN Amro en Fortis zullen niet alleen linkse kiezers zich nog wel eens achter de oren krabben bij het feit dat de PvdA in 2005 de nationalisatie van banken uit haar programma schrapte.

Er zijn dus eenvoudige, actuele en begrijpelijke redenen te noemen waarom kiezers zich van de PvdA hebben afgewend. De ‘cosmetische’ tekortkomingen van Cohen als leidersfiguur is alleen maar de meest oppervlakkige daarvan. Inhoudelijk werkt de neoliberale vergissing uit de tijd van Kok nog door: de rekening wordt pas dezer dagen in haar volle omvang gepresenteerd. Daarnaast speelde een ontspoorde solidariteitsopvatting een rol: de partij stuurde een flink deel van haar electoraat het bos in door haar overdreven correctheid op etnisch gebied: wie niet multiculti was, was een racist.

Op beide punten – de ‘ideologische veren’ en de problematiek van immigratie en integratie – heeft de PvdA de laatste jaren aangekondigd op haar schreden te willen terugkeren. De politieke correctheid is inderdaad stevig ingedamd, maar de politieke winst daarvan is nog grotendeels aan de partij voorbijgegaan, doordat Cohen wordt achtervolgd door zijn weinig krachtdadig optreden als Amsterdams burgemeester.

Van een feitelijke terugkeer naar het sociaal-democratisch gedachtegoed is tot nu toe weinig te zien. Ook hier geldt dat Cohen niet geloofwaardig was als vertolker van een visie die haaks stond op eerder ingenomen standpunten. Bij het CDA kwamen ze daarmee weg, voor zo lang het duurde. Bij een beginselpartij als de PvdA kan het niet.

Cohens vertrek maakt de weg vrij voor een wending naar ‘Nieuw Links’ – nieuw in verhouding tot de dwaalkoers van de afgelopen twintig jaar, maar tegelijk vertrouwd doordat de aansluiting bij het sociaal-democratisch gedachtegoed wordt hersteld. Daarvoor is een ingrijpende en pijnlijke cultuuromslag nodig. Dát is het probleem waar de PvdA nu voor staat: niet een onvermijdelijke opkomst van het populisme, niet de onmogelijkheid van centrum-linkse politiek, maar het maken van die omslag op een geloofwaardige manier.

Herman Vuijsje is socioloog en journalist.