De ontmaskering van het rijke, solide Nederland

De Nederlandse economie weet niet te profiteren van de overrompelende groei in Duitsland, van oudsher onze grootste handelspartner. Nieuwe bezuinigingen zullen het gevoel van malaise versterken. We zijn te duur en produceren te weinig.

Menno Tamminga

Nederland raakt economisch achterop. Nergens is dat zo zichtbaar als in de relatie met Duitsland, de economische motor van Europa en onze grootste handelspartner.

Twee cijfers onderstrepen de groeiende kloof. De Duitse economie groeide vorig jaar met 3 procent ten opzichte van 2010 en dat is inclusief een krimp van 0,2 procent in het vierde kwartaal. Nederland bleef steken op 1,3 procent groei, inclusief een krimp in de laatste zes maanden van 2011 van bij elkaar 1,1 procent.

Nederland krijgt trekjes van de Zuid-Europese schildpadeconomieën: traag, beschermd en met een voorkeur voor export naar andere voortkabbelende landen, niet naar de dynamische groeiers in het Verre Oosten en Zuid-Amerika.

Wat gaat mis met Nederland?

Nederland profiteert niet of nauwelijks van het overrompelende nieuwe Wirtschaftswunder. In de elf maanden tot en met november 2011 steeg de totale uitvoer naar landen binnen Europa met 10,4 procent, blijkt uit cijfer van het centraal bureau voor de Statistiek (CBS). En naar Duitsland? Met ‘maar’ 8 procent.

Duitsland is juist een cruciaal afzetgebied voor Nederland. Een recent rapport van de OESO denktank over de Duitse economie zegt bijvoorbeeld dat de export naar Duitsland goed is voor 12 procent van onze nationale productie van goederen en diensten. Anders gezegd: als Nederland wél in het kielzog van Duitsland kan blijven, groeit de economie harder, komen er meer banen bij en komt het overheidstekort eerder binnen acceptabele Europese grenzen zonder extra bezuinigen.

En juist met die extra bezuinigingen loopt Nederland het risico de huidige malaisestemming te continueren. In januari stond de barometer van het vertrouwen van consumenten en bedrijven in Duitsland op bijna 107. In het eurogebied gemiddeld op 93. In Nederland op 89.

De Duitse economie is in de analyse van de OESO een schakelcentrum, een doorgeefluik van de trends in de economie van zijn twee belangrijkste handelspartners: China en de Verenigde Staten. De trends planten zich vervolgens voort naar de toeleveranciers en handelspartners in de buurlanden, zoals Slowakije, Oostenrijk en Nederland, die als een soort onderaannemers fungeren.

China is de werkplaats van de wereld geworden, maar de machines voor die werkplaats bestelt China in Duitsland. Duitse industriële concerns als Siemens en Bosch doen daar goede zaken. De versnelling van de Chinese welvaart vertaalt zich in extra vraag naar duurdere consumptiegoederen, zoals de auto's van Volkswagen en BMW. Machines, kapitaalgoederen, auto's, allemaal producten van de maakindustrie.

Duitse kracht is Nederlandse onmacht. De politiek-economische topmanagers, van Bernard Wientjes (werkgeversorganisatie VNO-NCW) tot minister van Economie en Innovatie Maxime Verhagen, schermen graag met de successen van de export. In euro's gemeten is het ook een succes. Meer dan 404 miljard euro. En als percentage van de totale Nederlandse productie van goederen en diensten steeg de export van 56 procent (1990) naar 69 procent. Maar die grote groei zit in producten die naar Nederland worden vervoerd en met meer of minder bewerking weer worden uitgevoerd, de zogeheten wederuitvoer. Veel volume, weinig toegevoegde waarde. De bijdrage van de export aan de welvaart is in twintig jaar vrijwel onveranderd gebleven: 29 procent.

Het CBS constateerde vorig jaar al dat Nederland achterblijft bij Duitsland vanweg het verschil in samenstelling van het exportpakket. De Duitse kapitaalgoederen zijn meer in trek dan de Nederlandse voedselproducten. In een gezamenlijk onderzoek met het Centraal Planbureau (CPB) naar bedrijven in de wederuitvoer bevestigt het CBS dat beeld. De grootste wederuitvoer zit in toestellen voor telecommunicatie, computers en in onderdelen daarvoor. Anderen maken ‘t, wij verplaatsen ‘t. De grootste uitvoer van de producten die wij zelf maken? Dat is geraffineerde aardolie, aardgas en ruwe plataardige producten.

Waar Nederland nu last van heeft is het gebrek aan maakindustrie en de politiek-economische keuze om vertrouwde bedrijfstakken (zoals landbouw, voeding en energie) te steunen. Blikvanger van moderne industriepolitiek is de inspanning om meer hoofdkantoren naar Nederland cq de Amsterdamse Zuidas te halen. Maar beide lopen gevaar, zie de sluiting van farmabedrijf Organon en autofabrikant Nedcar en de buitenlandse overnames van ondernemingen als Wavin (buizen) en koeriersbedrijf TNT Express.

Vandaar dat bijvoorbeeld in sociaal-democratische kring de roep klinkt om een nieuw industrieel elan. Dat is deels een reactie op de ontspoorde bonuscultuur en de hoogvliegers in de financiële arena die met staatssteun gered moesten worden. Het is ook traditie: sociaal-democraten houden, met tegenzin, van industriële ondernemers, vooral het verlichte soort bazen met banenmachines. Maar heroriëntatie op de industrie heeft ook een vanzelfsprekende component: wat moet je met al die financiële en andere dienstverleners als je zelf niks maakt?