De ontmaskering van het rijke, solide Nederland

Nederland gebruikt zijn positie als AAA- land van de eurozone om de zuidelijke landen de les te lezen. Maar dankzij de enorme schuldenlast en de tanende concurrentiekracht hoort ons land eigenlijk thuis in de Europese middenmoot.

Maarten Schinkel

Er zijn, als de verhoudingen van de laatste twee jaar moeten worden aangehouden, vier landen die er in de eurozone nog toe doen. Duitsland, het grootste en kapitaalkrachtigste lid van de groep, dat de lakens uitdeelt tijdens de crisis waarin de gemeenschappelijke Europese munt verzeild is geraakt. Dan is er Finland, de kleine innovatieve noorderling, die zo nodig nog rechter in de leer is dan Duitsland zelf. Daarna volgt Oostenrijk, in wezen een satelliet van Duitsland. En Nederland, dat op dit moment de meest luidruchtige van de vier is. Het is minister De Jager die in Brussel de zwaarste eisen stelt aan de ontvangers, of mogelijke ontvangers, van financiële steun in het zuiden.

Finland, Duitsland, het kleine Luxemburg en Nederland zijn de laatst overgebleven landen die de hoogste AAA-waardering hebben voor hun staatsschuld. Maar kredietbeoordelaar Standard & Poor’s waarschuwde Nederland vorige maand wel dat er een kans van een op drie is op een afwaardering tot AA+.

Of dat terecht is? Nederland lijdt aan een economisch zelfvertrouwen waarvan het fundament onzekerder is dan het lijkt. Aan de werkloosheid ligt dat niet, die is nog steeds een van de laagste van de eurozone. De staatsschuld is te groot, maar relatief bescheiden en het begrotingstekort is met tegen de 5 procent nog steeds veel te hoog, maar steekt gunstig af tegen dat van de meeste andere eurolanden. Toch is het de vraag of dat genoeg is om bij de Onaantastbare Vier te horen, die de anderen in Europa de les lezen.

Want waar is die Nederlandse positie op gebaseerd? Aan de concurrentiekracht kan het niet liggen. De Nederlandse loonkosten per werknemer stegen sinds 1999 volgens gegevens van de OESO cumulatief met 48 procent. Daarmee ligt ons land in de middenmoot van de eurolanden, nog achter Spanje, Italië of Frankrijk.

De ontwikkeling van de productiviteit, die daar een tegenwicht tegen biedt, is ook niet uitzonderlijk. Die behoort eveneens tot de middenmoot. Wat de samenballing van deze twee gegevens betreft, de ontwikkeling van de ‘loonkosten per eenheid product’ valt ons land ver achter bij Oostenrijk, Finland en Duitsland, en hoort het bij de restgroep van de eurozone – zeker niet bij de voorhoede.

Dat wordt nog erger als het meest heikele onderwerp aan bod komt: de schulden. De staatsschuld is maar een deel van het verhaal. Schulden van huishoudens en bedrijven tellen ook. Als die te groot worden hebben zij, zo stelde de Amerikaanse econoom Stephen Cecchetti vorig jaar september, een even grote remmende invloed op de economie als de staatsschuld zelf. De totale schuld van Nederland is een van de hoogste van de eurozone, en dat ondanks een relatief lage staatsschuld. Boosdoener hier zijn de Nederlandse burgers. Zij zijn met een totale schuld van 130 procent van het bruto binnenlands product de onbetwiste kampioenen van de eurozone. Die schuld is weer terug te voeren op de enorme hypotheekschuld die Nederlanders hebben. Die hypotheekschuld vindt zijn oorsprong in de explosie van de woningprijzen sinds 1995. En die woningprijzen? Die verklaren eigenlijk zo’n beetje alles.

Nederland heeft een ongekende woninghausse achter de rug. Dat heeft belangrijke economische gevolgen gehad. Burgers van wie de woning in waarde stijgt, voelen zich rijker, en spenderen een klein deel van de papieren winst. Volgens onderzoek van het CPB is dit ‘vermogenseffect’ tussen de 2 en 5 procent van de toegenomen waarde van het woningbezit. Er is wel een slag te slaan naar het totale effect van de woninghausse op de economie van de afgelopen vijftien jaar. De huizenprijzen zijn bekend, de prijsstijgingen ook, evenals de ontwikkeling van de totale voorraad koopwoningen.

Op basis van een gemiddeld vermogenseffect zijn de resultaten schokkend. De twee grote lijnen op deze pagina laten de economische groei zien zoals hij in feite was en de economische groei die zonder het vermogenseffect uit de woningmarkt zou hebben plaatsgevonden. Er zijn jaren geweest waarin de huizenboom een vol procentpunt groei heeft toegevoegd.

Opgeteld mag, met enige slagen om de arm, worden gesteld dat de Nederlandse economie zonder de woninghausse nu een procent of 7 kleiner zou zijn geweest dan hij nu in werkelijkheid is. Zonder dat effect waren we (na Luxemburg) ook niet het rijkste land van de eurozone: we hadden uitgerekend Finland en Oostenrijk vóór moeten laten gaan. De overheidsfinanciën zouden slechter zijn geweest – al zou de particuliere schuld natuurlijk lager zijn.

De woningmarkt is zo een rookgordijn geweest dat de matige economische prestaties van Nederland lang heeft verhuld. De ontmaskering volgt. Nu de woningsmarkt kantelt, werkt het vermogenseffect ons juist tegen, en zal dat nog lang blijven doen. Wie zich afvraagt waarom Nederland nu tussen de brekebeentjes bungelt bij de jongste prognoses uit Brussel voor de economische groei in 2012, vindt hier gedeeltelijk het antwoord. Een land dat zijn economische status voor een belangrijk deel te danken heeft aan vastgoedspeculatie en nu diep in de schulden zit, zou best wel wat bescheidener mogen zijn in Europa. Als de kredietbeoordelaars ons niet al vóór zijn.

    • Maarten Schinkel