Zet die oogkleppen af

De oude vrouw op de cover van de het Amerikaanse weekblad Time uit december 1984 klemt haar hoofd vol afgrijzen tussen haar handen: India’s disaster: the night of death. Ik was zestien toen de veertig ton methylisocyanaat uit de pesticidefabriek van Union Carbide vrijkwam en vlak na middernacht in een grote wolk over de stad Bhopal trok. Drieduizend mensen stierven onmiddellijk, nog eens twaalfduizend mensen in de jaren erna.

De giframp in Bhopal was de doodsteek voor het imago van de toch al niet bijster populaire chemische industrie. Union Carbide werd voor velen in mijn generatie het symbool van een harteloze sector die bereid was om in haar jacht op snelle winst mens en milieu aan enorme risico’s bloot te stellen.

Dit beeld slijt langzaam. Alleen de nucleaire industrie en olie- en gassector, elk met hun eigen milieuramp nog op het netvlies, kunnen op nog minder publieke sympathie rekenen, blijkt uit het KPMG-rapport ‘Expect the unexpected: building business value in a changing world’. Het rapport bevat tegelijk ook argumenten dat het beeld van de chemiesector als roekeloze milieuvervuiler hoognodig moet worden bijgesteld.

Chemie is één van de elf industrieën waar KPMG de brutowinst afzet tegen de externe milieukosten – schade door CO2-uitstoot, bodemuitputting, vervuiling van water enzovoorts – die de onderliggende productie heeft veroorzaakt. Echte kosten dus, met dit verschil dat die op derden, zoals belastingbetalers of slachtoffers van overstromingen, worden afgewenteld en daarom niet op de winst drukken binnen de sector.

KPMG’s rekensommen zijn complex en ongetwijfeld vol betwistbare aannames, maar het resultaat is interessant. In 2010 komt de brutowinst gemiddeld ruim 40 procent lager uit als de externe milieukosten wel worden meegenomen. De chemie zit rond dit gemiddelde; voor de telecomsector is de correctie slechts 3 procent. De voedselproducenten maken het het bontst. De externe milieukosten zijn ruim het dubbele van de brutowinst, wat de sector behalve zwaar vervuilend, feitelijk ook technisch failliet maakt.

Gekeken naar de ontwikkeling over een langere periode springt de chemiesector er samen met de auto-industrie gunstig uit. De chemie wist de winstgroei tussen 2002 en 2010 zonder noemenswaardige toename van externe milieukosten te realiseren. Het omslagpunt naar winstgroei in combinatie met daling van milieu-impact lijkt in zicht. De autosector heeft dit punt al bereikt. Voedselproducerende industrie staat daarentegen al een decennium stil.

Een belangrijk verschil is dat de auto-industrie en de chemiesector het streven naar lagere milieu-impact nadrukkelijk zien als aanjager voor efficiencywinsten en baanbrekende nieuwe technologieën.

Bij de grote voedselproducenten, waar de winst misschien wel het hardst onder het veranderende milieu te lijden krijgt, vindt slechts 18 procent duurzaamheid een drijvende kracht voor innovatie. Het wordt tijd om de oogkleppen door te geven.

Jacco Kroon

De auteur is partner bij een duurzaam adviesbureau.

    • Jacco Kroon