Woutertje wordt kindvriendelijker

Al vijfentwintig jaar bekroont de Woutertje Pieterse Prijs het mooiste kinderboek, soms met opmerkelijk volwassen criteria. Een jubileumjury zette er vijf in het zonnetje. Op zoek naar het DNA van het literaire kinderboek.

tel: je bent de afgelopen vijfentwintig jaar opgegroeid en hield ook best van lezen, maar je blijkt niet één van de vijf uitverkoren boeken te kennen die donderdag uitgeroepen zullen worden tot ‘Wouters Roverhoofdmannen’ – de winnaars onder de winnaars van vijfentwintig jaar Woutertje Pieterse Prijs. Is er dan in de literaire opvoeding iets misgegaan?

De Woutertje Pieterse Prijs geldt als een prijs die moeilijke boeken bekroont, interessant voor een select kindergezelschapje. Dat imago bestaat niet helemaal ten onrechte: de prijs werd opgericht in tijden van jeugdliteraire emancipatie. De oprichters vonden dat jeugdliteratuur te weinig als volwaardige literatuur werd beschouwd. Ze noemden hun prijs naar een cultureel icoon met een dubbelzinnige afkomst: Woutertje, uit Multatuli’s Ideeën, staat erom bekend dat hij zijn Nieuwe Testament verkocht om leengeld te kunnen betalen voor het heerlijk meeslepende boek Glorioso. Maar de Wouter-geschiedenis van Multatuli heeft op zichzelf niets met jeugdliteratuur te maken. Dat lijkt eigenaardig, maar past dus goed. Behalve voor een leesgierig jongetje stond ‘Woutertje Pieterse’ voor de literaire kwaliteit die de prijs radicaal wilde nastreven. Literaire kwaliteit moest de enige norm zijn. Leesplezier mocht niet terzake doen.

Je kunt je afvragen of die vijf Roverhoofdmannen – gekozen door Bergje Boonstra, Suzanne Hertogs, Annemie Leysen, Bas Maliepaard en Mirjam Noorduijn – nog wel kinderboeken zijn. Het probleem met die vraag is dat hij een tweedeling impliceert. ‘Literair of kunstig is kindonvriendelijk’ versus ‘een kindvriendelijk boek is inwisselbaar maakwerk’. Dat simpele idee zijn we de laatste vijfentwintig jaar ontgroeid. Het mooiste aan de selectie van de vijf Roverhoofdmannen is dat het de volwassenwording van dat idee laat zien.

Eerst ging het om de kunst, niet om het kind. Zie Annetje Lie in het holst van de nacht van Imme Dros, de eerste Woutertje Pieterse-winnaar (1988). Het lied dat Annetje Lie daarin op een gegeven moment te horen krijgt vindt ze wel mooi, maar niet echt leuk. Waarop de kunstenaar (nu ja, de Muizenkoning die het lied ten gehore brengt) tegenwerpt: ‘Jaja, van hopsa de popsa en tiereliedom. Nou dan ben je bij mij aan het verkeerde adres. Een Koning zingt geen flutsels, een Koning zingt het betere lied en daar moet nu eenmaal bij gehuild worden en nog beter geweend.’

Annetje Lie in het holst van de nacht is een Alice in Wonderland-achtig droomverhaal, waarin een ziek meisje afdwaalt in de duistere krochten van haar brein en fantasie en werkelijkheid samensmelten. Een nachtmerrie dus: ‘Mijn hoofd, mijn hoofd doet zo’n pijn,’ roept ze uit tegen de Maan en de Muizenkoning, die gesprekken voeren die ontaarden in waanzinnig geraaskal. ‘Jullie schreeuwen tegen elkaar en ik weet niet eens waarover het gaat. Waarom praten jullie niet gewoon?’ Net als Lewis Carroll plaatst Dros haar verhaal in een ‘kinderboekige’ setting: er is een meisje bij haar oma, er zijn pratende dieren, maar het kinderboekige lijkt vooral een instrument om dat wat niet-kinderboekig is naar de voorgrond te duwen. Namelijk: taal die knipoogt naar postmoderne literatuurtheorie en die soms zozeer aan waanzin grenst dat Foucault er zijn vingers bij af zou likken.

De taal moet ook de reden zijn geweest voor de bekroning van de filosofische dierenverhalenbundel Bijna iedereen kon omvallen van Toon Tellegen in 1994, want Tellegen-zinnen herken je uit duizenden: ‘De schildpad wilde heel graag eens een keer brullen.’ Of: ‘Op een ochtend vielen alle dieren plotseling omhoog.’ Tellegen is misschien wel het meest sprekende bewijs dat binnen de jeugdliteratuur literaire oorspronkelijkheid bestaat: de dierenverhalen zijn een handelsmerk. Net zo is het met Iep!, winnaar van 1997, duidelijk een deel van het oeuvre van schrijvend en tekenend kunstenares Joke van Leeuwen.

Iep! weerspiegelt misschien nog wel het mooist het Woutertje Pieterse-DNA. Het is een spel van taal, het maakt illustraties een onlosmakelijk deel van het verhaal, het is raar en ontregelend. Maar het verschil met Dros en Tellegen is wel dat Van Leeuwen het raar en ontregelend maakt op een manier die kinderen nadrukkelijk niet buitensluit. Het verhaal gaat over een echtpaar dat een vreemd wezen vindt, een klein meisje met vleugels dat niet veel meer uitbrengt dan de kreet ‘Iep!’. ‘Ze kent al een boom’, zegt haar adoptiemoeder trots. Typisch een ontregelend Van Leeuwen-grapje. Ze neemt een kind mee om de grenzen van het gewone op te zoeken, maar maakt het niet te ongemakkelijk.

Ongemakkelijkheid was lang onderwerp van discussie bij Zwart als inkt van Wim Hofman (winnaar 1998, Roverhoofdman nummer vier). Het is een verhaal dat het sprookje van Sneeuwwitje ontmaskert: het laat zien dat een afgunstige moeder die haar mooiere dochter wil vermoorden meedogenloos is, geen Disneymateriaal. Het boek staat bol van pijn en gemeenheid, maar de constructie – gelardeerd met literaire verwijzingen die ook kinderen kunnen oppikken – maakt duidelijk dat het een bewerking is van een ander verhaal. Zo is het kunst die kinderen niet boven het hoofd gaat. Dat geldt ook voor Ik ben Polleke hoor! van Guus Kuijer, Superguppie van Edward van de Vendel en Fleur van der Weel, Het geheim van de keel van de nachtegaal van Peter Verhelst – die boeken werden dan misschien geen ‘Roverhoofdman’, maar zijn even kunstig als kindvriendelijk.

Misschien wel de toegankelijkste van de vijf Roverhoofdmannen, maar tegelijk de roman die zich op de oudste lezers richt, is De hemel van Heivisj van Benny Lindelauf (winnaar 2011). Zijn familieroman tegen het decor van de Tweede Wereldoorlog lijkt boven het Woutertje-DNA uit te stijgen, want Lindelauf heeft geen taalspel of meta-literatuur nodig om de kracht van literatuur vast te stellen. Hij vertrouwt op de oerkracht van het verhalenvertellen. De hemel van Heivisj is een roman die jaren omspant, die gaat over het alledaagse leven in een Limburgs dorp, waar achter alles een bijzonder verhaal schuilgaat. Het gaat over opgroeiende zussen en veranderende familieverhoudingen, over een gewoon leven waar de jodenvervolging ijzingwekkend in doordringt.

De hemel van Heivisj is een verhaal waarin de literaire vorm geen aandacht voor zichzelf vraagt, maar in dienst staat van de vertelling. En toch heeft het een verfijnde literaire complexiteit die lezers verleidde tot de vraag of dit geen roman voor volwassenen was. Eigenlijk: of volwassenen het niet óók konden lezen, zonder jongeren uit te sluiten. Deze Woutertje Pieterse-winnaar laat zien dat literaire kwaliteit niet kindonvriendelijk hoeft te zijn. Je zou je Nieuwe Testament verpatsen om het te kunnen lezen.

Het jubileumboekje, betaald door het Lira-fonds, is gratis te downloaden op www.woutertjepieterseprijs.nl, vanaf maandagmiddag 1 maart aanstaande. Dan wordt ook de 26ste laureaat bekend gemaakt.

    • Thomas de Veen