Troep, drank, ruzie en lol

Justin Torres: Wij, de wilden. Vertaald door Nicolette Hoekmeijer. Meulenhoff, 215 blz. €17,95

Een moeilijke jeugd en schrijven: het is een beproefd recept. Ziektes, dood, huiselijk geweld, criminaliteit en seksueel misbruik worden keurig uitgesponnen door de getraumatiseerde auteur en de lezer is gechoqueerd of ontroerd.

Ook de Amerikaan Justin Torres kende een moeilijke jeugd en schreef er Wij, de wilden over. Maar wat zijn debuutroman anders maakt is dat hij de neiging kan weerstaan om te dwepen met het geweld van zijn vader, de depressies van zijn moeder en de halve criminaliteit van zijn twee oudere broers. Torres omzeilt het directe drama door het in anekdotische fragmenten te beschrijven, in een dromerige en toch genadeloze stijl. Hij gebruikt het perspectief van de jongste broer. Doordat de jongen geen alwetende verteller is, blijft er voor de lezer veel te gissen. Ook word je gedwongen om mee te gaan in de prioriteiten van een zevenjarige.

De hoofdpersoon groeit op als jongste zoon van een sterke Puerto Ricaanse machovader (papi) en een blanke moeder (mami), die op haar veertiende zwanger werd van haar eerste kind. Het gezin behoort tot de Amerikaanse onderklasse. Mami werkt ’s nachts in een brouwerij, papi heeft steeds een andere baan en verdwijnt soms een paar weken. De drie zoons schelen niet veel in leeftijd en vormen een intens driemanschap, waarbij ze telkens samenspannen om zich een houding ten opzichte van hun onberekenbare ouders te geven.

De titel van het door Nicolette Hoekmeijer uitstekend vertaalde boek verwijst zowel naar het gezin als geheel, als het broederschap van de drie jongetjes. De armoede van de familie, de Puerto Ricaanse achtergrond van papi, de leeftijd van de zoons: alles leidt tot een bepaald soort dierlijkheid, die zich uit in agressie, dans, drank, seks en genadeloosheid. Als papi ontslagen wordt van zijn baantje als nachtwaker omdat hij zijn zoons op zijn werk moest laten slapen, begint hij op de terugweg in de auto ritmisch met zijn vuist op het dashboard te slaan. De jongens doen al snel mee en beginnen in hetzelfde tempo op hun deel van de auto te bonken, terwijl ze leuzen scanderen.

Wildheid

De nietsontziende hardheid van jongens in de leeftijd van zeven tot elf vormt een ander onderdeel van de wildheid. Onderling is het pakken of gepakt worden, maar als geheel vormen ze een sterk en hongerig blok, altijd op zoek naar avontuur, naar moederlijke liefde, naar trots, naar eten. De eerste zin van het boek is dan ook: ‘We wilden meer.’

Het boek kent zo vele overeenkomsten met het verhaal van de onlangs uitgekomen Belgische film Les Géants, waarin eveneens drie jongens (waarvan twee broers) in die leeftijdsgroep zich zonder ouderlijke sturing proberen te redden in een bosrijke omgeving. Ze slaan elkaar, ze maken troep, ze breken in, ze drinken, ze maken ruzie, ze trappen lol. Zoals jongens zijn.

De verteller is de bangste jongen van het stel. In de ontzag voor het fysiek van zijn papi resoneert Kafka’s Brief aan vader: ‘Hij was net een beest, onze vader, blakend en lichamelijk en instinctief; met zijn brede, gewelfde schouders […].’ Maar hierdoor houdt hij ook oog voor de tederheid van het gezin. Vaak slaat een drama totaal om doordat iemand een grap maakt. De dierlijkheid is niet alleen maar negatief.

De 32-jarige Torres is een zeer bekwaam schrijver, niet voor niets grootgebracht door de prestigieuze Iowa Writers Workshop en ontdekt door het Britse literaire tijdschrift Granta. Hij vermijdt het cliché van het gezin in de onderklasse dat het slecht heeft, maar toch heel gelukkig is met de weinige middelen en elkaar. Hij schotelt ons slechts momenten voor, zoals wanneer de zoons op de ochtend van de verjaardag van de jongste bij hun moeders slaapkamer naar binnen komen. Ze ligt daar al een paar dagen, met blauwe ogen en gekneusde ribben. De jongens verkleden zich als monniken, want daar heeft ze ooit over verteld. De verteller wikkelt zich in het gordijn. De moeder zegt ‘Mijn mooie jongetjes’, ‘de eerste woorden in drie dagen die van haar gescheurde lippen rolden, en het was te veel; we keerden ons van haar af. Ik legde mijn hand tegen het glas, voelde me opgelaten, hunkerde naar kou. Dat had ik soms met mam; dan moest ik mezelf tegen iets kouds en hards aandrukken om niet duizelig te worden.’

Momenten

Het zijn dit soort vreemde, maar toch herkenbare impressies die Wij, De Wilden tot een fantastisch boek maken. Soms gebruikt Torres zijn dierensymboliek iets te direct en op het einde vliegt hij bijna uit de bocht als hij zijn eigen grote persoonlijke drama in het kleine verhaal probeert te duwen, maar over het algemeen ontroeren zijn anekdotes iedereen die in een familie is opgegroeid. Zonder dat je precies begrijpt waarom.

    • Rutger Lemm