Topman RBS blijkt ware evenwichtskunstenaar

Stephen Hester is er bijna in geslaagd een onmogelijke opdracht te voltooien. De topman van Royal Bank of Scotland (RBS) moest een manier zien te vinden om de bonussen van zijn zakenbankiers zwaar genoeg te korten om boze Britse politici tevreden te stellen. Maar hij moest ook proberen te voorkomen dat het moreel bij de door de staat gesteunde bank nog verder achteruit zou gaan. Hij is een aardig eind gekomen.

Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de zakenbankiers van RBS de prijs moeten betalen voor een tegenvallend 2011, waarin de inkomsten van de divisie Global Banking and Markets (GBM) met een kwart zijn gedaald. De bonussen bij GBM zijn 58 procent lager uitgevallen, tegen 32 procent bij de Britse concurrent Barclays Capital (Barcap). In zakenbankkringen geldt dat als een forse aderlating.

Maar als je de salarissen in de berekening meeneemt, is de verhouding van de totale vergoedingen ten opzichte van de inkomsten bij GBM feitelijk omhoog gegaan, van 34 naar 41 procent. Dat is nog steeds minder dan de 47 procent bij Barcap, maar het zorgt er wel voor dat RBS beter kan concurreren op de arbeidsmarkt en beter in staat zal zijn personeelsleden vast te houden en aan te trekken.

Als je de cijfers aan een nadere analyse onderwerpt, blijkt de waarheid ergens in het midden te liggen. De verhouding tussen vergoedingen en inkomsten voor 2011 is kunstmatig opgeblazen door de hogere kosten van tijdelijke werknemers, in verband met de overname van ABN Amro. RBS heeft er ook voor gekozen een groter deel van de uitgestelde bonussen over voorgaande jaren in de boeken op te nemen. Als je daar rekening mee houdt, komt de verhouding tussen vergoedingen en inkomsten grofweg uit op hetzelfde niveau als in 2010. De salarissen zijn slechts marginaal gestegen.

De balanceeract van Hester zal geen einde maken aan de publieke verontwaardiging over de bonusuitkeringen, gezien het verlies van 2 miljard pond van RBS in 2011, dat groter was dan dat van het jaar daarvoor. Maar de oorzaken waren eenmalig van aard, zoals verzekeringen tegen wanbetalers en verliezen op Griekse staatsobligaties. En hoewel het rendement op het aandelenkapitaal bij de zakenbank met 7,7 procent onder de kapitaalkosten lag, was de divisie in ieder geval wél winstgevend. GBM heeft 9 procent van zijn werknemers verloren. De gemiddelde loonkosten voor zijn resterende 17.000 personeelsleden zijn met 26 procent gedaald naar 112.000 pond (176.000 dollar).

De voornaamste taak van Hester is het laten afsterven van de ‘slechte bank’ van RBS en het laten groeien van de gezonde bedrijfsonderdelen. Op dit terrein is echte vooruitgang zichtbaar. Maar de Britse economie mag in 2012 niet nóg harder achteruit gaan. Anders zal hij volgend jaar een nog lastiger staaltje evenwichtskunst ten beste moeten geven.

George Hay

Vertaling Menno Grootveld

    • George Hay