Populisme een emancipatiebeweging? Kom nou

Volgens Sjaak Koenis zou ressentiment de brandstof vormen van emancipatie, maar emancipatie moet het ook hebben van positieve bezieling, betoogt

Lies Wesseling.

Het begrip ‘ressentiment’ krijgt in Sjaak Koenis’ verhandeling wel een erg brede toepassing (De democratisering van het ressentiment, Opinie, 16 februari). Volgens Koenis zijn de door populistische partijen uitgebate gevoelens van wrok geen teken van het falen, maar juist van de vitaliteit van de democratie. Populisme is in zijn ogen een heuse emancipatiebeweging, op één lijn te plaatsen met de arbeidersbeweging, de vrouwenbeweging, de strijd om de vrijheid van onderwijs en de emancipatieprocessen van religieuze en etnische minderheden. Al deze bewegingen draaiden op de brandstof van het ressentiment. Abraham Kuyper, Jelle Troelstra, Willem Drees, Joke Kool-Smit, Anil Ramdas en Geert Wilders – bien étonnés de se trouver ensemble!

Deze gelijkschakeling is verrassend, maar niet overtuigend. Niet alle gevoelens van verontwaardiging over maatschappelijke ongelijkheid kunnen als ‘ressentiment’ worden gekwalificeerd. Ressentiment is oneigenlijke woede. Koenis haalt een anekdote aan over een vrouw die een gemeenteambtenaar verwijt dat men haar openstaande boetes tot 3.500 euro heeft laten oplopen. Deze vrouw is blind voor het eigen aandeel in haar probleem.

Maar de grote emancipatiebewegingen van de afgelopen eeuwen betroffen groepen die part noch deel hadden aan hun achterstelling. Het valt moeilijk vol te houden dat vrouwen zelf debet waren aan hun uitsluiting van het kiesrecht, noch dat het proletariaat zijn uitbuiting zelf had veroorzaakt. Op dit moment fabriceren arbeiders in de derde wereld voor een hongerloon goederen die te goedkoop worden verkocht in de eerste wereld. Een belangrijke oorzaak van het gebrek aldaar ligt bij de overvloed alhier. Verontwaardiging is in dit geval terecht, in tegenstelling tot de woede van de boze mevrouw bij het gemeenteloket.

Ten tweede zijn succesvolle emancipatiebewegingen niet alleen ergens tegen, maar ook ergens voor. De suffragettes beijverden zich voor universeel kiesrecht als middel tot het scheppen van een vrouwvriendelijker samenleving. De Amerikaanse burgerrechtenbeweging verzette zich niet alleen tegen rassensegregatie, maar streefde ook opwaardering van Afro-Amerikaanse identiteiten na – black is beautiful. Emancipatiebewegingen kunnen niet gedijen op verontwaardiging alleen. Ze moeten het ook hebben van positieve bezieling.

Precies hierin zit het kardinale verschil tussen feminisme en socialisme enerzijds en populisme anderzijds. Koenis verklaart de opkomst van het populisme als een nieuwe emancipatiestrijd, dat wil zeggen als het verzet van laagopgeleiden tegen hoogopgeleiden. Dit is evenwel een puur negatieve insteek in het politieke debat, zoals overduidelijk blijkt uit het voortdurend wisselende doelwit van het populistische onbehagen, dat zich moeiteloos verplaatst van de ene zondebok naar de andere – moslims, grachtengordel, kunstenaars, Haagse technocraten en Oost-Europeanen.

Koenis schuift dit verschil als onbelangrijk terzijde. Het is alles ressentiment wat de klok slaat. Zo’n nivellerend perspectief werkt politieke verlamming in de hand. Koenis’ betoog berust op de veronderstelling dat de grote emancipatiebewegingen zijn uitgeëmancipeerd. Er is echter nog heel veel te winnen, zowel in Nederland als in de globaliserende wereld waarin voorzieningen en goederen wel zeer ongelukkig zijn verdeeld.

Gevoelens van wrok en afgunst ten opzichte van het welvarende, postkoloniale Westen volstaan niet voor het treffen van een betere mondiale balans. Wereldwijde imitatie van de westerse leefstijl zou immers leiden tot een ecologische ramp. Groeperingen in de eerste en derde wereld zullen elkaar daarom moeten vinden in een gedeelde visie op een alternatieve omgang met natuurlijke hulpbronnen. Andersglobalisten, consuminderaars, transition towns en de slowfoodbeweging proberen er werk van te maken, zo goed en zo kwaad als dat gaat.

In het verleden was dat niet anders. Ook toen konden succesvolle hervormingen als invoering van de algemene schoolplicht, het universele kiesrecht of de veertigurige werkweek alleen gestalte krijgen binnen het kader van gedeelde maatschappelijke idealen.

Ten slotte heeft de toeschrijving van odieuze gevoelens aan anderen iets gratuits. Omdat je zelden kunt bewijzen dat anderen de gevoelens die je ze toedicht ook daadwerkelijk hebben, kunnen anderen evenmin aantonen dat zij deze emoties niet hebben. Martin Luther King dacht dat hij streed voor een goede zaak? Haha! We weten zogenaamd wel beter. In feite was hij uit op megalomane zelfuitvergroting. Altijd raak! Of nooit raak, dat komt op hetzelfde neer. Maar wat dan nog? Zelfs al had King dergelijke gevoelens, dan doet dat op zich niets af of toe aan de juistheid van zijn kritiek op rassensegregatie. Wat levert deze emotivistische uitvergroting van gevoelens in het politieke bedrijf eigenlijk meer op dan de cynische suggestie om geen enkele maatschappijkritische stroming nog langer serieus te nemen?

Lies Wesseling is directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit aan de Universiteit Maastricht.