Nog een termijn Van Rompuy

Dat premier Silvio Berlusconi van Italië in november vorig jaar, toch en tegen zijn karakter in, opstapte, was het gevolg van het feit dat hij niet meer was opgewassen tegen de druk die internationaal van alle kanten op hem werd uitgeoefend.

Er was druk van de financiële markt, de Italiaanse regering kreeg zijn staatsleningen niet meer gefinancierd. En van de Europese Unie en Europese Centrale Bank. En van collega-premiers die risicofactor Berlusconi wilden lozen.

Op het grensvlak van deze verschillende vormen van pressie opereerde Herman van Rompuy, de eerste permanente voorzitter van de Europese Raad die waarschijnlijk door de Europese regeringsleiders wordt herbenoemd. De Vlaamse christen-democraat (64) sprak geen grote woorden, hij beperkte zich tot kleine manoeuvres om het 75-jarige Italiaanse gevaar op de weg uit te rangeren.

Toen Van Rompuy in december 2009 voorzitter van de Raad werd, had hij de naam een ‘grijze muis’ te zijn. En dat kwam de grote lidstaten goed uit, omdat die het beleid graag onderling afhandelen. De natiestaten hadden liever een secretaris dan een ‘president’. Net als bij de NAVO.

Maar in die tweeënhalf jaar heeft Van Rompuy laten zien dat dit beeld niet klopt. Hij heeft veel kennis van zaken, ook van de details, én een visie. Hij beschikt over oratorisch talent en tegelijkertijd beheerst hij het stille handwerk. Hij bleek dus de juiste man op de juiste plek.

Hoewel? Zijn plek is een onmogelijke plek. Op het hoogste bureaucratische niveau heeft Europa twee functionarissen: de president van de Raad (Herman Van Rompuy) en de voorzitter van de Commissie (José Barroso). Deze ‘twee kapiteins op één schip’ moeten ook nog luisteren naar twee rederijen: de regeringsleiders en het parlement van Europa. Het staat zo in het EU-verdrag maar het blijft ondoenlijk.

Zolang deze onmogelijke constructie blijft bestaan, zal Europa nooit één telefoonnummer hebben, zoals de Amerikaanse minister Henry Kissinger ooit badinerend opmerkte. Eerder deze maand stelde eurocommissaris Viviane Reding voor om het Verdrag zo te interpreteren dat de beide functies voortaan worden gecombineerd. Ze heeft gelijk.

Maar het is een illusie om te denken dat de regeringsleiders van de 27 lidstaten, juist nu de eurocrisis woedt en Duitsland en Frankrijk hun macht hebben geoptimaliseerd, meer dan een minuut langer dan strikt noodzakelijk willen nadenken over nieuwe federale instituties.

Daarmee is niet gezegd dat het idee van Reding niet eens op de agenda zou mogen komen. Misschien kan Van Rompuy er de komende tweeënhalf jaar stilletjes aan werken. De ‘president’ van Europa heeft er de intellectuele en operationele kwaliteiten voor.