Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen

De postume roman De Buurman van J.J. Voskuil is onthutsend. De echtgenote van de hoofdpersoon ontpopt zich als een angstaanjagende vrouw. Intussen toont het boek de kern van Voskuils hele oeuvre.

J.J. Voskuil: De buurman. Van Oorschot, 304 blz. €22,50

In De Buurman, de postuum verschenen roman van de in 2008 overleden J.J. Voskuil, krijgen de liefhebbers van de grote romancyclus Het Bureau waar ze al jaren op zitten te wachten: scènes uit het huwelijk van Maarten Koning en zijn obstinate echtgenote Nicolien.

Het Bureau, over het absurdistische kantoorleven van een wetenschappelijk ambtenaar, eindigt in 1987 als Maarten op 61-jarige leeftijd met pensioen gaat. De Buurman begint in 1985 en biedt een inkijkje in het huiselijk leven van het kinderloze echtpaar Koning dat we al kennen sinds de in 1963 verschenen roman Bij nader inzien over Maartens Amsterdamse studententijd. Nicolien werd toen deel van Maartens vriendenclub, die bij nader inzien geen vriendenclub bleek te zijn.

In Het Bureau speelde Nicolien een tragikomische bijrol als de feeks die het geprangde bestaan van kantoorklerk Maarten er niet gemakkelijker op maakte. Was het leven op het bureau een hel, thuis maakte Nicolien het nog vele malen erger. Toen na Voskuils dood diens ‘overspelroman’ Binnen de huid uit 1968 verscheen, werd een tipje van de sluier die over deze vechtrelatie hing, opgelicht. Maarten had er vandoor willen gaan met Rosalie, de vrouw van zijn beste vriend, maar durfde niet, zoals hij ook geen ‘onmaatschappelijk leven’ als bohémien in Parijs aankon. Zijn baan bij het bureau voelde als een capitulatie, een even beschamende nederlaag als de terugkeer naar zijn vreugdeloze huwelijk.

Wat we nooit te weten kwamen, was of Voskuil de voortdurende machtsstrijd tussen Nicolien en Maarten als karikatuur weergaf, als een uitvergroting van eigenaardigheden die in elke relatie voorkomen, of dat het een realistische voorstelling van zaken betrof. Maar in De buurman wordt duidelijk dat Maarten Koning thuis zit opgescheept met een gekkin, die ook van zichzelf vindt dat ze opgehaald dient te worden door de GGD.

Nicoliens bizarre gedrag zoals we dat uit eerder romans kennen, wordt nu tot op het bot ontleed. In de ik-vorm vertelt Maarten Koning hoe zijn vrouw, in diepe armoede opgegroeid bij een antisemitische moeder en een door de maatschappij uitgekotste werkloze vader, zich heeft ontwikkeld tot een pathologische naoorlogse verzetsheldin. Zij wil de redster zijn van alle door de maatschappij verstoten underdogs, van zielige dieren tot homoseksuelen.

Iedereen die haar tegenspreekt of afremt, is een collaborateur, inclusief haar echtgenoot. Als Maarten ook maar iets onaardigs zegt over de nieuwe buurman Petrus (65) en diens vriend Peer (42), of zelfs maar suggereert dat hij Nicoliens verering van het homostel een tikje overdreven vindt, wordt hij uitgescholden voor abjecte homohater. Grapjes mag hij al helemaal niet maken over de twee mannen, die Nicolien – zelf tegen de zestig en naar eigen zeggen in de overgang – beschouwt als haar kinderen en zelfs als de enige mensen van wie zij houdt.

Na onschuldige opmerkingen van Maarten volgen schrille huil- en schreeuwpartijen:

‘Ik eis dat je het terugneemt!’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Als ik niet eens meer grapjes mag maken.’

‘Terugnemen!’

‘Wat is dat voor onzin?’

‘Als je het niet terugneemt, dan sla ik de hele boel in elkaar.’

Ik keek haar verbaasd aan.

‘Wat mankeert je?’

Ze wendde zich af, pakte de meloen die op de theetafel lag te wachten en smeet die door de kamer. De katten stoven alle kanten op. ‘Dat is die verdomde homohaat! Net als je moeder! Ik verdraag dit niet langer.’

Evenals Het Bureau bestaat De buurman voornamelijk uit dialogen die stapje voor stapje naar een onvermijdelijke climax voeren. De korte scènes zijn beeldend als in een meeslepend stripverhaal waarin van de personages alleen de contouren zijn weergegeven. Het is onmogelijk dit boek weg te leggen, wat vanouds de kracht is van Voskuils autobiografische romans: hoe onbenullig de belevenissen ook zijn, je wilt weten hoe het afloopt met de naar het leven getekende personages.

Ver van te voren zie je aankomen dat de al te intieme verhouding met de buren op een afschuwelijke deceptie moet uitdraaien. Het homostel, minstens zo merkwaardig als Maarten en Nicolien, zit niet op protectie te wachten. Weliswaar hebben ze het achterhuis betrokken van het grachtenpand waarvan het echtpaar Koning de voorkant bewoont, maar ze zijn niet de bedreigde onderduikers waar Nicolien hen voor houdt. Volgens Maarten betreft het ‘een dementerende oude man’ en ‘een enigszins debiele jongen’ die zich in toenemende mate ontpoppen als profiteurs. Nicolien zorgt wél voor hun vogeltje Pierewiet als ze met vakantie zijn, maar zij laten het afweten als de Konings hun hulp inroepen voor de katten.

Ik vind De buurman een onthutsend boek, niet zozeer wegens het weerzinwekkende geslijm van Nicolien die niet in de gaten heeft hoe denigrerend ze haar buren behandelt, maar vanwege de verongelijkte haat die bezit van haar heeft genomen. Een gruwelijke scène doet zich voor als een joodse kennis, Roosje, langs komt die gescheiden is van haar man nadat hij als homo uit de kast kwam.

Vermoedelijk is dit personage gemodelleerd naar de dichteres Hanny Michaëlis, de ex-vrouw van Gerard Reve. Voskuil stelde ooit een bloemlezing samen uit haar werk. Als Roosje het waagt om in Nicoliens bijzijn te zeggen dat homo’s, evenals andere minderheden, niet tot de dapperste mensen behoren, breekt de hel los. ‘Dat smerige rotwijf’, schreeuwt Nicolien, nadat ze hun bezoekster hebben thuisgebracht. ‘Walgelijk vind ik het. Dat soort mensen is er de oorzaak van dat die arme stakkers op een achterkamertje moeten kruipen. […] Alsof zij zo moedig is! Ik zou wel eens willen weten wat zij gedaan had in de oorlog als ze niet toevallig een Jodin was geweest. […] Zulke opmerkingen zijn de eerste stap naar de gaskamers. Mensen als Roosje hebben de gaskamers gebouwd.’ Nicolien meent dat Roosje zich verheven voelt boven homo’s, maar: ‘Ze is niet beter. Ze is de mindere van Peer en Petrus.’

Maarten heeft nauwelijks verweer tegen het onverholen antisemitisme van zijn vrouw, omdat hij er zelf ook niet vrij van is. Met buurman Petrus heeft hij een onsmakelijk discussie over de film Shoah van Claude Lanzmann. Volgens Maarten heeft Lanzmann niet het recht anderen als medeplichtig aan de Holocaust te beschouwen, omdat hijzelf niets gedaan zou hebben om die te voorkomen. Hij beklaagt zich er over dat ‘wij Nederlanders’ het verwijt krijgen de joden niet te hebben geholpen. ‘Hoeveel joden die […] ons nu veroordelen zouden zelf wel wat hebben gedaan?” Petrus, die als kind ondergedoken zat, antwoordt: “Je moet me niet kwalijk nemen, het is dat ik je ken, maar anders zou ik je verdenken van antisemitisme.’ Waarop Maarten er, woedend, nog een paar flinke scheppen bovenop doet.

Toch vormt dit uit schuldgevoel en eigenwaan voortkomende wangedrag van het echtpaar Koning niet de essentie van de roman. De kern is een tekst van Jacob Israël de Haan op het Amsterdamse Homomonument: ‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen.’ Maarten heeft die strofe ooit fout geciteerd en ook, volgens Nicolien, verkeerd geïnterpreteerd. ‘Ik begreep wat ze bedoelde’, denkt Maarten berustend. ‘Zij was degene die voor de homo’s opkwam. Ik niet.’

Maar misschien geeft zijn vrouw hier voor één keer uiting aan iets anders dan haar neiging zich een heldenrol toe te eigenen. De tranenrijke Nicolien, die het hele boek haar eenzaamheid heeft uitgeschreeuwd, komt eindelijk uit voor haar eigen nooit vervulde verlangen naar vriendschap. Die mateloze hunkering deelt ze met haar echtgenoot en – naar ik aanneem – de schrijver Voskuil. Diens hele oeuvre draait tenslotte om die ene, alleszeggende, regel van Jacob Israël de Haan.

    • Elsbeth Etty