Lofzang op een Londense typiste

Pío Baroja is een mythische figuur in de Spaanse literatuur tijdens de Belle Epoque. Nu is zijn werk vertaald. Wat voor tijdsbeeld doemt er op?

Spain (1906). Attack against Alfonso XIII and Victoria Eugenia on their wedding day. Bomb thrown from a balcony by the Anarchist Mateu Morral against the nuptial procession in the street Mayor of Madrid when they were going to the Royal Palace from San Je. Photography. Aisa/Hollandse Hoogte

Pío Baroja: De dolende dame. Vert. Frans Oosterholt. Menken Kasander & Wigman, 215 blz. €22,50

Pío Baroja: De stad in de mist. Vert. Frans Oosterholt. Menken Kasander & Wigman, 268 blz. €24,50

Een auteur die van zijn eigen roman vaststelt dat deze ‘het niet in zich heeft erg lang mee te gaan’ wekt niet al te veel fiducie. Toch verschijnt De dolende dame van de Spaanse schrijver Pío Baroja – die daarover zo’n ontnuchterend oordeel velde – na ruim honderd jaar voor het eerst in een Nederlandse vertaling. Merkwaardig genoeg werd het tegelijkertijd verschijnende vervolgdeel De stad in de mist kort na de Spaanse publicatie in 1909 wél al in het Nederlands uitgegeven. Elisabeth Couperus tekende voor de vertaling, haar man Louis voor het voorwoord.

Er is een goede reden voor die discrepantie. Het tweede boek is een veel betere roman dan het eerste. Wel vraag je je af hoe de Nederlandse lezers zich indertijd de logica van de handeling en de situatie hebben moeten voorstellen zonder een duidelijk beeld ‘van wat voorafging’. Beide romans zijn nu beschikbaar in een frisse, soms iets té eigentijdse vertaling van Frans Oosterholt (een woord als ‘hartstikke’ leg je een personage uit de Belle Époque niet in de mond). Het derde deel van de trilogie, De boom der kennis, verschijnt in het najaar.

Is het werk van Baroja al die moeite waard?

Ontegenzeglijk behoort hij tot de grote, mythische namen van de Spaanse literatuur van rond de eeuwwisseling. Hij schreef zo’n zestig romans en daarnaast essays, toneelstukken en dichtwerk. Baroja was een generatiegenoot van Miguel de Unamuno (zijn romans zijn door dezelfde uitgeverij onlangs in het Nederlands heruitgegeven) en deelde met hem de bekommernis om Spanje. In 1898 was dat vrijwel al zijn laatste belangrijke gebiedsdelen overzee kwijtgeraakt en moreel zat het land diep aan de grond. ‘Het is een volk dat in tragische armoede voortstrompelt en bestuurd wordt door een zwakzinnige en tegelijkertijd roofzuchtige bourgeoisie,’ zo laat Baroja een zekere dr. Iturrioz in De stad in de mist uitroepen, ‘Wat een land!’

Dat jaartal 1898 werd de geuzennaam waaronder de generatie van Unamuno en Baroja de literatuurgeschiedenis is ingegaan. En inderdaad wordt de lezer in De dolende dame de rampspoed niet onthouden. In hartje Madrid wordt op 31 mei 1906 een bomaanslag gepleegd op de jonge koning Alfons XIII, op de dag van zijn huwelijk met de Britse prinses Victoria Eugenia de Battemberg. Het paar overleeft het, maar de 28 doden die daarbij vallen schokken de natie diep. Dat historische gegeven gebruikt Baroja om een vernietigend beeld te geven van de anarchistische kringen die voor de daad verantwoordelijk waren – en van de salonrevolutionaire burgerkringen koketteerden met al wat modern en schandaleus was.

Mist

Model daarvoor staat de arts Enrique Aracil, die de aanslagpleger na zijn daad onderdak verleent, maar daardoor wel samen met zijn dochter María vluchten moet. De helft van De dolende dame bestaat uit een beschrijving van hun reis naar Portugal en vandaar naar Londen. Pittoresk is het allemaal wel, maar spannend wordt het nooit. Pas wanneer vader en dochter in De stad in de mist in Londen aankomen gaat het verhaal weer een beetje leven.

In de eerste helft van dat boek neemt María het woord van de auteur over en beschrijft hoe zij een stad leert kennen die haar tegenstaat én fascineert. Verbijsterd is zij over de treurige levensomstandigheden die sinds Dickens nog weinig lijken te zijn veranderd, gefascineerd door de nieuwe levensvisies die ze er ontdekt. Communisten, feministen, christelijke heilspredikers, suffragettes, anarchisten: alles komt in de Londense salons bij elkaar – in excentriciteit nog een graadje heftiger dan in Madrid.

Het wordt haar tenslotte teveel. Ze keert terug naar haar geboortestad en trouwt met haar neef, op wie ze al jaren verliefd was. Het derde deel van de trilogie zal zich concentreren op dr. Iturrioz, tot dan toe een bijfiguur en in een aantal opzichten een alter-ego van Pío Baroja zelf.

Loont dat vandaag de dag allemaal nog de moeite? Veel literair vernuft heeft Baroja aan deze romans niet vuil gemaakt. Ze zijn nogal vormloos en lijken vaak voor de vuist weg geschreven. Dat Baroja daarbij kon teruggrijpen op reizen die hij zelf ondernam (ook hij trok van Madrid naar Portugal en leefde een tijdje in Londen) is in dit geval geen voordeel geweest. Vooral De stad in de mist lijkt met zijn uitvoerige topografische beschrijvingen soms een halve Baedeker. Voor een romanlezer zijn al die straatnamen, bushaltes en metroroutes rijkelijk overbodig.

Meer hebben deze romans te bieden met betrekking tot het tijdsbeeld. Baroja is lang niet zo spiritueel georiënteerd als Unamuno en heeft (net als de een generatie oudere schrijver Pérez Galdós) veel meer oog voor de sociale en politieke wereld van zijn personages. Een lofzang op de Londense typiste of een uitvoerige beschrijving van het handeldrijven met bankcheques waren in de romanliteratuur van zijn tijd ongetwijfeld noviteiten. Waar Unamuno zijn plots situeert in het intieme zieleleven van zijn romanfiguren, plaatst Baroja hen in een verwarrende wereld van visionaire ideeën, die soms nauwelijks te onderscheiden zijn van ridicule of bedenkelijke luchtfietserij.

Schimpscheuten

Veelzeggend is de titel waaronder Baroja de drie romans tot een trilogie gebundeld heeft: Ras. Dat klonk in die tijd lang niet zo omineus als enkele decennia later – al schrikt ook Baroja niet terug voor stereotype schimpscheuten op joden of andere groepen die hem niet bevallen: Engelsen, nationalisten, revolutionairen. ‘Rasverzwakking’ gold als een van de grote gevaren van wat in het verlengde van Darwin, Lombroso en Max Nordau ‘degeneratie’ was gaan heten – en daarvoor vond Baroja in het krachteloos geworden Spanje ruimschoots aanwijzingen.

Meer dan als een groot literair werk laat deze trilogie zich dan ook lezen als een getuigenis van een nu nog moeilijk te doorgronden, maar daarom des te intrigerender tijdperk, waarin de verschrikkingen én triomfen van de 20ste eeuw nog verborgen lagen in de mist van de toekomst.

Maar af en toe legt Baroja de vinger op dingen die nooit veranderen. Verbaasd over het enthousiasme waarmee María zichzelf en haar vader als ‘revolutionairen’ door de Engelsen ontvangen zien, krijgt zij van een tafelgenoot uitleg: ‘Ze denken, en daarin hebben ze ten dele gelijk, dat de regeringen van Europa weerzinwekkend zijn, afgezien van die van henzelf. Daarom is een Duitse, Spaanse of Russische revolutionair met recht ontevreden; een Engelse revolutionair is daarentegen een absurd persoon.’