Journalisten worden in Syrië niet toegelaten

Redacteur Internationale Betrekkingen

rotterdam. Journalisten in oorlogsgebieden maken zich er doorgaans geen illusies over: ze informeren de wereld niet alleen over het conflict, ze kunnen er zelf ook deel van worden. Vaak tegen wil en dank.

Want behalve verslaggevers zijn ze ook brengers van nieuws dat de ene of de andere partij goed of slecht uitkomt. Ze worden soms gezien als vertegenwoordigers van de buitenwereld, van de internationale publieke opinie, van de laatste hoop om de onderliggende partij een stem te geven in de internationale politieke arena.

Maar vaak worden ze ook gezien als onwelkome pottenkijkers. En soms worden ze slachtoffer in de oorlog die ze kwamen verslaan.

Dat laatste overkomt ieder jaar tientallen journalisten in wereld. Woensdag overkwam het de ervaren Amerikaanse oorlogsverslaggever Marie Colvin van de Britse Sunday Times en de jonge Franse freelance fotograaf Rémi Ochlik. Een dag eerder was de Syrische videoblogger Rami al-Sayed dodelijk getroffen. Ze kwamen om bij de aanhoudende beschieting van de Syrische stad Homs door het leger van president Assad.

Al twintig dagen duurt het bombardement van woonwijken in Homs waar opstandelingen zich hebben verschanst. Volgens de oppositie zijn er honderden mensen bij omgekomen.

Het Syrische regime heeft er sinds het begin van de opstand, elf maanden geleden, veel aan gedaan om onafhankelijke journalisten buiten de deur te houden. Iedere machthebber in de wereld beseft dat het ingrijpende gevolgen kan hebben als conflicten via de media een groot internationaal publiek bereiken. De druk op politieke leiders, op landen, op de Veiligheidsraad zelfs om in te grijpen kan er stevig door toenemen.

Aan de andere kant kan de roep om een interventie juist te staken aanzwellen, als de pers laat zien hoeveel slachtoffers er bij vallen. Dat ondervonden de Verenigde Staten in Irak in 2003, toen bij een bombardement op een gebouw in Bagdad tientallen vrouwen en kinderen omkwamen.

De verslaggevers die zich nu zonder toestemming van de autoriteiten in Syrië wagen, nemen een groot risico. Marie Colvin was woensdag nog op de BBC Worldservice te horen, met een emotioneel verslag van de situatie in Homs.

De gruwelijke ironie is dat Colvin met haar dood een groter publiek bereikte, en waarschijnlijk ook een grotere politieke impact had, dan met haar indrukwekkende verslagen voor de Sunday Times en de BBC. De Britse premier Cameron, de Franse president Sarkozy en het Witte Huis gaven uiting aan hun medeleven en verontwaardiging. „Nu is het genoeg”, zei Sarkozy. „Dit regime moet opstappen. Als er daar geen journalisten waren, zouden de bloedbaden veel erger zijn.”

VN-chef Ban Ki-moon heeft de humanitaire coördinator van de VN gevraagd naar Syrië te gaan. Of de autoriteiten haar toelaten is niet bekend.

De aandacht van westerse leiders voor de dood van deze journalisten in Syrië, contrasteert met hun zwijgen bij de dood van veel andere journalisten in andere conflicten, bijvoorbeeld Irak. In dat land zijn in de eerste vier jaar na de invasie zo’n 200 journalisten omgekomen. In Syrië tot nu toe een handvol.

Maar zolang de westerse leiders niet van plan zijn in te grijpen, en de roep om ‘iets te doen’ aanhoudt, komt het niet slecht uit om hun verontwaardiging over het regime van Assad luid van de daken te kunnen schreeuwen. Voor hun publieke opinie komt het conflict opeens heel dicht bij als een journalist uit eigen land omkomt.

Onduidelijk is of het geïmproviseerde perscentrum waar Colvin en Ochlik de dood vonden specifiek doelwit was van de Syrische troepen. Damascus heeft dat ontkend. Zeker is dat artilleriebeschietingen van woonwijken een heel grof middel zijn, waarbij niemand in zo’n buurt zijn leven zeker is.