Interview met Vogue-hoofdredacteur Karin Swerink

22 maart wordt de Nederlandse editie van Vogue gelanceerd, zo werd deze week bekend.
Afgelopen december interviewde ik hoofdredacteur Karin Swerink. Dit verhaal werd eerder geplaatst in NRC Handelsblad.

 

Karin Swerink, foto RVDAKarin Swerink, foto RVDA

Op de redactie van de Nederlandse Vogue, op de vierde verdieping van een jarenzeventigkantoorgebouw in Diemen, wordt druk verbouwd. Een eigen kamer heeft hoofdredacteur Karin Swerink (42) nog niet. Ze ontvangt daarom in het ‘stylinghok’, waar naast een tafel een paar volle kledingrekken staan. „Er zit eigenlijk niks tussen wat ik Vogue vind”, zegt ze, terwijl ze haar blik over de kleren laat gaan „Vogue is er niet voor budgetmode. Het gaat om de emotie van het beeld. Je laat alleen het beste van het beste zien.”

Het gerucht ging al enige tijd, maar anderhalve week geleden werd officieel bekend gemaakt dat uitgeverij G+J met een Nederlandse editie komt van Vogue, de beroemdste, chicste en machtigste modetitel ter wereld, een mededeling die meer dan 500 vrouwen ertoe aanzette een sollicitatiebrief te sturen. Wanneer Vogue Nederland precies in de kiosk zal liggen, zegt Swerink niet te weten. „Als we klaar zijn. We gokken op 2012, maar het kan ook 2013 worden. Je kunt maar één keer lanceren, en dat doen we als helemaal tevreden zijn.”

De vaste redactie van twaalf is voorlopig vooral „aan het scheuren uit tijdschriften, zoeken, bellen. En proberen te doorgronden hoe het politieke spel op dit niveau wordt gespeeld. Bijna ieder bekend model wil voor Vogue wel naar Nederland komen, maar alleen als ze op de cover komt. We hebben maar één cover, dus tegen wie zeg je ja? Voor je het weet maken allerlei poppetjes van buitenaf uit hoe onze Vogue eruitziet.”

Swerink, die een modeopleiding volgde aan de kunstacademie in Enschede, begon haar tijdschriftcarrière bij meidenblad Yes, waar ze stylist en later chef mode was. Na een periode als chef redactie en adjunct-hoofdredacteur bij Libelle werd ze hoofdredacteur van het startende Glamour, een uitgave van G+J. Het jonge, dikke, toegankelijke modeblad op handtasformaat (‘Patat met champagne’, was Swerinks slogan) raakte een snaar; vanaf het eerste nummer had het een oplage van 150.000 exemplaren, waarmee het meteen het grootste modeblad was van Nederland.

Namens Glamour zat Swerink een of twee keer per jaar aan tafel met vertegenwoordigers van Condé Nast, de Amerikaanse moederuitgeverij van zowel Glamour als Vogue. De wens een Nederlandse Vogue te maken werd door G+J twee jaar geleden al uitgesproken, maar het plan werd wegens de toenmalige crisis een jaar in de ijskast gezet. In januari 2011 besloot Condé Nast alsnog dat Nederland klaar was voor een Vogue. „De Nederlandse uitgever heeft altijd gezegd: als ik Vogue doe, doe ik het met jou, want ik denk dat jij nog een keer een succes kunt neerzetten.”

Hoe bepaalt Condé Nast of een land geschikt is voor Vogue?
„Ze kijken naar de budgetten van de grote adverteerders, en naar winkels die er zijn. Ik denk dat het proces in de Bijenkorf in Amsterdam (op de begane grond zitten sinds voorjaar 2010 shop-in-shops van luxemerken als Louis Vuitton en Hermès, MvR), voor ons een grote rol heeft gespeeld, al is dat vooral bedoeld voor toeristen. Maar je ziet ook op straat dat het modeklimaat is veranderd: je mag laten zien dat je je best hebt gedaan.

„Voor Condé Nast is het ook erg belangrijk dat er voldoende talent is. Er zijn landen waar genoeg geld en winkels zijn, maar geen mensen die een Vogue kunnen maken. Bij de Chinese, Taiwanese en Japanse de Vogue hebben ze nog steeds problemen om goede krachten te vinden.”

Zijn er voorschriften vanuit Condé Nast?
„Ze willen dat je een unieke zus wordt in de familie. Elke Vogue heeft een eigen karakter: de Duitse is heel gedegen, de Britse jong, de Italiaanse uitbundig. Er is wel een stijlboek. De letters die je gebruikt moeten dicht bij die uit dat stijlboek liggen.”

Je zou kunnen denken: voor Nederlandse vrouwen die zijn geïnteresseerd in designermode liggen hier nu al meer dan genoeg Vogue-edities in de kiosk.
„Maar hoe mooi is het om ook een Vogue te hebben die jouw taal spreekt? Die begrijpt hoe jij naar mode en kunst kijkt? Een Nederlandse esthetiek heeft?”

Hoe ziet die esthetiek eruit?
„Nederland heeft een herkenbaar vormgevingshandschrift. Het is sober en zakelijk, maar ook een beetje underground. Het schuurt. Dat wil ik proberen te pakken. En er is hier een heel eigen energie. Onze stylisten zijn vrouwen die op de fiets door de stad sjezen. Dat zie je terug, daar ben ik van overtuigd. Zelfs als de kapper uit Parijs komt, het model uit New York en de kleding uit Milaan. Anders hoef je ook niet zelf te fotograferen; dan kun je beter een modeserie aankopen uit de Amerikaanse Vogue, dat is heel goedkoop voor ons. Maar daarmee krijg je geen eigen gezicht.”

Zit dat schurende Nederlandse handschrift al in andere tijdschriften?
„Bij Glamour heb ik vooral geprobeerd internationale trends te vertalen voor een groot publiek. De modefotografie in Elle heeft het, maar voor Vogue is die niet sexy en vrouwelijk genoeg. Vogue gaat over schoonheid. Natuurlijk gebeuren er altijd nare dingen in de wereld, maar dat is niet waarvoor je Vogue koopt. Je wilt worden meegenomen in inspiratie en schoonheid. Het gaat ook over mensen, maar niet op de manier van: ‘mijn man ruimt zijn sokken niet op’ – daar zijn al genoeg bladen voor.
„We willen vrouwen interviewen van wie je denkt: die hebben het goed gedaan. Niet alleen jonge actrices; we richten ons op vrouwen vanaf dertig. Ik las ooit in Het Parool een interview met Maya Meijer-Bergmans, een kunsthistorica die getrouwd is met de eigenaar van het Westergasterrein in Amsterdam. Zij was er managing director. Zo’n vrouw zie ik in Vogue, al is ze bijna 70 en draagt ze misschien een mantelpak van Frans Molenaar.”

Moet die Frans Molenaar voor de foto vervangen worden door een Lanvin ?
„Je kunt niet helemaal over iemands persoonlijkheid heengaan. Maar met een goede kapper, visagist en stylist kun je alle mooie kanten van iemand naar boven krijgen. Dat gebeurt hier te weinig. We zijn nog steeds bang om iemand mooi te maken.”

Is het een probleem voor jullie dat Nederlandse ontwerpers het nu over het algemeen niet heel goed doen?
„Het is lastig dat we niet onze eigen Chanel en Prada hebben, ja. Je wilt als Vogue trots zijn op Nederlandse mode, en bij de Nederlandse ontwerpers zit niet de allure die we zoeken. Maar we hopen dat de nieuwe lichting samen met ons professioneler kan worden. We zijn nu aan het kijken of sommigen speciaal voor ons iets kunnen maken. Het zou ons ook heel goed uitkomen als de eerstvolgende collectie van Viktor & Rolf er waanzinnig uit zou zien.”

 

    • Milou van Rossum