Gedichten van een dorpsgekkin

Belgie, Brugge, 14-09-2010 Portret van dichteres Delphine Lecompte ze won voor haar debutbundel 'De dieren in mij' de C. Buddingh'-prijs 2010. In haar huis in Brugge met de door haar verzamelde opgezette dieren. foto: Bram Budel Bram Budel

Delphine Lecompte: Blinde gedichten. De Bezige Bij Antwerpen, 125 blz., € 19,95

Opgewekte rampspoed. Zo laat zich de poëzie van Delphine Lecompte misschien op z’n best typeren. Ook in haar derde bundel beschrijft ze een wrange wereld, waarin zelfs verkrachting als kermisgenot wordt gepresenteerd. Een mallotige droomwereld lijkt het, waarin een oude kruisboogschutter, een Utrechtse eskimo, een gepensioneerde leeuwentemmer, een strandjutter en een sponzenverkoper de sfeer bepalen. Geen arbeidzame wereld is het, want het dagelijks bestaan wordt gevuld met kermisgang of bezoeken aan het circus, de dierentuin of het serpentarium.

Lecompte hanteert graag vreemde woordbouwsels, zoals hazenlipkind, groeimelk en poppenhuisschommelstoel. Verzot ook lijkt ze op het vakjargon van de medische wereld, waardoor ballongedilateerde aders en een longemfyseem-sanatorium vanzelfsprekend plaats krijgen in haar versregels. En gretig ook combineert ze haar eigen taallego met min of meer pathologische bouwsteentjes. Dan verschijnt een psychotische nachtwinkeluitbater, of een gebochelde Bathseba-biografe.

De oude kruisboogschutter kennen we al uit Lecompte’s eerdere bundels, De dieren in mij (2009) en Verzonnen prooi (2010). Het is een koosnaam voor haar buurman, vriendje en geliefde. In feite is hij de enige ‘constante’ in de poëzie van Lecompte. Misschien ook in haar leven, want de relatie met haar vader en moeder is bij uitstek wisselvallig. In het motto van de bundel verontschuldigt de dichter zich tegenover haar ‘bruisende, briesende moeder, die vreselijk veel van mij verdraagt’. In haar verzen heeft die moeder het vaak te verduren. Maar er is ook bekommering, vooral in de vierde afdeling van Blinde gedichten. ‘Hoe gaat het met je moeder in je gedichten?’vraagt een dierenarts daarin aan het lyrisch ik. ‘Ze heeft het moeilijk,’ antwoordt de ik bedremmeld.

Het is een verstandige grondhouding om als lezer onderscheid te bewaren tussen het lyrische ik en de persoon van de dichter, maar bij Lecompte is dat standpunt onhoudbaar. Haar poëzie heeft sterk autistische trekken, en de dichter schroomt niet om zichzelf in volle kwetsbaarheid te verwoorden. Poëzie is dan haar favoriete metafoor. ‘Ik ben bang en het wordt geen gedicht’ is in dit verband een veelzeggende titel. Lecompte twijfelt openlijk aan de kracht van haar poëzie. Niettemin is ze soms optimistisch en krijgt een gedicht een hoopvolle titel als ‘Ik wil dat mijn moeder geneest in mijn gedichten’. Maar dit optimisme laat onverlet dat zij weet dat er een ander soort poëzie is, en hoe onbereikbaar die kunst voor haar zelf is. En hoe zwak haar eigen wil is om zich anders in beeld te brengen.

Vandaag ben ik vastberaden

Om een gedicht te schrijven dat

Niet met ‘ik’ begint

Een gedicht zonder oude kruisboogschutter

Zonder gevilde haas, zonder kleptomanie,

Met komma’s en een loodgieter die zich van buis vergist.

Ik stel het uit tot morgen

De maaltijd en de komma’s

Ze lopen niet weg

Niet echt, niet ver

Ik kan ze inhalen

Ze verdienen een voorsprong.

‘Ik wil gelukkig blijven’ heet het gedicht waarvan deze coupletten onderdeel zijn. Het uitstel van de maaltijd is een verwijzing naar de anorexia die de dichter in haar verzen terloops cultiveert. Het geluk is dan ook ver te zoeken in de poëzie van Lecompte.

Blinde gedichten is een omvangrijke bundel. Voor openlijk leedvertoon – want ook zo is Lecompte’s poëzie te beschouwen – lijkt 125 pagina’s nogal veel. Doordat op één na alle gedichten in de onvoltooid tegenwoordige tijd zijn gesteld, komen de beelden ‘hier en nu’ bij de lezer binnen. Het is dan ook lastig om de bundel zelfs maar per afdeling (er zijn er vijf) achtereen te lezen. Daarbij zijn niet alle gedichten even goed. De redacteur had zijn taak rigoureuzer mogen opvatten. Desondanks is lezing van Blinde gedichten een poëtisch genot. Lecomptes beeldspraak is volstrekt eigenzinnig en bij tijden geestig subtiel, zoals in de regels ‘Mijn vader snijdt de taart / Zoals mijn moeder haar wekelijkse wortel van marsepein / Zoals een zuinige bibliothecaresse haar dagelijkse courgette van courgette’. Elders beschrijft ze een rode tulp als preuts ‘Alsof ze met een te kort rokje in een tandartszetel ligt’. En in ‘Oneetbare dieren stelen’ voelt Lecompte zich ‘oud als een negentigjarige gravin / Die haar verzameling verlostangen uit de zestiende eeuw moet verkopen / Om de tuinman te betalen’.

Het taalplezier spat er af. Niettemin is elk vers in Blinde gedichten een verslag van ontgoocheling. Er loopt hoe dan ook altijd iets mis. Ik verlaat het pretpark alleen / Onderweg word ik niet begrepen / Ik vraag de weg aan een andere dorpsidioot / Nog word ik niet verkracht / Het is hopeloos. In Lecompte’s eigen woorden is ze dus ook zelf een dorpsidioot. Een gekkin, die verbluffen wil met haar ‘weetjes over goudkoorts, syfilis en cactussen’. Haar poëzie is echter groter dan deze zelfverkleining suggereert. Haar verzen beschrijven een enge leefkring, nauw en naargeestig - maar er mag wel gelachen worden.