De sociale crisis begint nu in Europa

Door bezuinigingen ontstaan in veel eurolanden sociale spanningen. De vraag is hoe lang het noorden het zuiden nog wil blijven steunen.

De crisis trekt als een regenfront langzaam terug naar het noorden. Dat tonen de economische prognoses voor 2012, die Europees commissaris Olli Rehn gisteren presenteerde.

Acht van de zeventien eurolanden zitten in een recessie. De negen landen die wél groeien, zitten maar een beetje boven nul. De echte groei zit buiten de eurozone: in Polen, Letland en Litouwen. Daarmee gaan eurolanden een nieuwe, pijnlijke fase in. Het zijn niet meer de banken en overheden die klappen krijgen. Burgers worden ook vol geraakt. De crisis wordt steeds meer een sociale crisis. Dit krijgt gevolgen voor de nationale en Europese politiek. Als mensen bínnen landsgrenzen moeten vechten om schaarse middelen, wordt het moeilijker voor hen solidair te zijn met andere landen.

Olli Rehn draaide er niet omheen: „Sinds november 2011 is de situatie verslechterd. Economische omstandigheden veranderen razendsnel.” Zo voorspelde de Commissie in november dat Italië in 2012 0,1 procent zou groeien, en Nederland 0,5 procent. Nu, drie maanden later, noteert Italië een krimp van 1,3 procent en Nederland 0,9 procent. Dit toont aan hoe voorzichtig je met cijfers moet zijn. Ze veranderen zo weer. Het is moeilijk hier duurzaam beleid op te maken. Toch hebben deze cijfers de laatste twee jaar bijna absolute waarde gekregen. Wij gebruiken ze als kompas om landen op te beoordelen.

Die beoordeling is scherper dan ooit tevoren. Landen als Nederland hebben de schuldencrisis van de afgelopen twee jaar aangegrepen om ‘eurozondaars’ met hoge begrotingstekorten en staatsschuld begrotingsdiscipline en zelfs sancties op te leggen. Die discipline moest beleggers weer vertrouwen in de euro geven. Ze was ook nodig om het rijkere noorden weer vertrouwen te geven in het armere zuiden.

Er zijn tekenen dat de schuldencrisis luwt. Landen zijn zo panisch voor tekorten dat ze heftig in eigen vlees snijden. In ijltempo voeren ze alle hervormingen door die ze in de vette jaren hadden uitgesteld. Beleggers zien het en geven landen als Italië en Spanje weer wat lucht. Spaanse en Italiaanse rentes op staatsleningen zijn sinds november gedaald. Maar juist door deze keiharde bezuinigingen, schrijven Thomas Fisher en Sarah Hoffmann van de Bertelsmann Stichting in het recente rapport Solidarity For Sale. The Social Dimension of the New Economic Governance, kan „de schuldencrisis in Europa uitmonden in een enorme sociale crisis”. Kaalslag smoort bedrijvigheid en consumentenvertrouwen. Iedereen ziet het om zich heen: banen verdwijnen, bedrijven gaan failliet. Dat zorgt voor sociale spanningen en, aldus het rapport, „afnemend vertrouwen in democratische instellingen”.

Spanje, waar een kwart van de bevolking werkloos is, wil van Rehn een soepeler tijdschema om het begrotingstekort terug te brengen. Ook de Italiaanse premier Mario Monti, die een revolutie ontketent, vindt méér ‘austerity’ onverantwoord. Er is een grens aan wat je burgers kunt aandoen, zei hij laatst: „Ze moeten vertrouwen houden in de politiek, de democratie”. Meer snijden vindt hij onverantwoord. Italië kan, zoals Griekenland, in een spiraal terechtkomen waarbij bezuinigingen en krimp elkaar wederzijds versterken.

Heel Europa, waarschuwde Monti, zou daaronder lijden. Burgers zullen Europa de schuld geven van zoveel onrecht. Als Duitsers overal als nazi worden afgeschilderd, zal de Europese samenwerking stagneren. Dat is slecht voor landen als Nederland, die fors aan de unie verdienen. Daarbij zijn noord en zuid communicerende vaten. Als het zuiden slecht boert, krijgt het noorden klappen. Dat gebeurt nu. Als Italië en Portugal minder importeren, éxporteren Duitsland en Nederland minder. Want waarom deed het noorden het zo goed? Deels omdat dat het zuiden als afzetgebied had. Ze verkochten er hun spullen. Banken financierden met Duits en Nederlands spaargeld bouwprojecten in Spanje. Dat rondpompen van geld en producten is nu verstoord. Dat raakt noord én zuid.

Mede daardoor is de crisis terug waar zij in 2008 met omvallende banken begon: in Noord-Europa. Nederland en België zijn in recessie. Duitsland en Frankrijk groeien, maar minder dan voorzien. Monti’s stelling is dat noord en zuid elkaar nodig hebben. Ze trekken elkaar de modder in – en moeten elkaar er weer uittrekken. Daarom stellen Duitse industriëlen voor om een Marshall-plan voor Griekenland op te zetten – puur op groei gericht. Als alle landen het Duitse exportmodel overnemen, schrijft ook publicist Wolfgang Munchau in Der Spiegel, verliest Duitsland zijn afzetgebied. „Het resultaat is dan niet dat alle zwakkeren beter worden, maar dat iedereen slechter af is.”

Maar voor Europese solidariteit is politiek draagvlak nodig. In landen als Nederland is dat draagvlak dun. Dat wordt komende tijd de grote uitdaging. Als mensen zelf de broekriem moeten aanhalen, zijn ze minder geneigd anderen te helpen. En daarmee, uiteindelijk, zichzelf.