Bijna crimineel geworden

De autobiografie van de Zweedse voetballer Ibrahimovic staat binnen een week hoog in de bestsellerlijsten.

Autobiografieën van topsporters stellen vaak teleur. Op jonge leeftijd hebben zij, in de woorden van de Zweedse voetballer Zlatan Ibrahimovic, geleerd hun buitengewone prestaties om te zetten in levenswijsheden als ‘de bal is rond’. De risico’s die zij hebben genomen om de top te bereiken, hun meedogenloze karakter, een over-mijn-lijk mentaliteit, worden onder invloed van de media en de pr-industrie verwerkt tot platitudes als hard werk, sympathieke collega’s en inspirerend leiderschap van een mentor.

Zlatan Ibrahimovic weigert dit spel mee te spelen. Zijn autobiografie, uit het Zweeds in het Nederlands vertaald onder de titel Ik, Zlatan, geeft de lezer waarop hij hoopt: een intieme inkijk in het rauwe leven van een begaafde, trotse, recalcitrante en onuitstaanbare zonderling, die zich dankzij zijn voetbaltalent heeft opgewerkt van immigrantenzoon in een woonkazerne in een buitenwijk van Malmö tot een superster in een kapitale villa in dé elitebuurt van die stad.

Ibrahimovic groeide op in een multicultureel milieu in een buitenwijk van Malmö, als kind van een gebroken gezin. Zijn Bosnische vader was werkzaam in de bouw en verdronk zijn heimwee in alcohol. Zijn Kroatische moeder verdiende de kost als schoonmaakster en liet haar kinderen aan hun lot over.

Voetbal betekende voor hem de ontsnapping aan het criminele leven waartoe hij veroordeeld leek te zijn, zoals Afro-Amerikanen in de Verenigde Staten zich aan het getto van Amerikaanse steden wisten te ontworstelen door zich toe te leggen op basketbal, football en, in mindere mate, honkbal. Zelfs zijn kledingstijl, het trainingspak, was identiek aan die van zijn Amerikaanse geestverwanten.

Door zijn begenadigde voetbaltalent en zijn wilskracht wist hij de top te bereiken: Malmö FF, Ajax, Juventus, Internazionale, Barcelona, AC Milan. Wie hem vorige week zag spelen tegen Arsenal weet dat hij op 30-jarige leeftijd nog niets aan drive heeft ingeboet: schitterende steekpasses, dwingende aanwezigheid, explosieve ontlading na een slecht ingeschoten maar benutte penalty, oeverloos gepraat tegen de scheidsrechter. De camera houdt bovendien van hem. Tijdens dode spelmomenten zagen we hem voortdurend prominent in beeld. Met zijn knotje en artistiekerige baard lijkt hij ieder moment het voetbalveld te kunnen inwisselen voor een kunstenaarsbestaan.

Over zijn odyssee langs de verschillende clubs valt veel te zeggen, maar voor Nederlandse lezers is misschien vooral zijn periode bij Ajax (2001-2004) van belang. Het is geen vrolijk verhaal. Van Malmö naar een rijtjeshuis in Diemen was een grote stap voor de negentienjarige immigrantenzoon uit de Balkan. Vanwege zijn achtergrond was hij allesbehalve voorbereid op een zelfstandig leven in het buitenland. De voetbalcultuur van Ajax, met zijn nadruk op discipline en teamgeest, was wezensvreemd voor de straatvoetballer die speelde op intuïtie en brute kracht.

In Diemen verpieterde hij, met het voetbal wilde het aanvankelijk niet vlotten. Onder trainer Co Adriaanse veroverde hij geen basisplaats. Na het vertrek van Adriaanse ging het onder diens opvolger Ronald Koeman aanvankelijk niet veel beter. Technisch directeur Leo Beenhakker sprak Ibrahimovic op zijn kantoor in de Arena dikwijls moed in. Na het vertrek van Beenhakker nam Louis van Gaal diens functie over.

Zijn spel ging langzaam vooruit, maar bij Ajax voelde hij zich nooit thuis. Misschien kwam het door de persoonlijkheden. Van Gaal dacht in spelsystemen, rugnummers, functioneringsgesprekken, gedragsregels en zitten in een kringetje met de selectie om een ruzie met medespeler Rafael van der Vaart (‘een behoorlijk arrogant type’) uit te praten. Dat was allemaal nieuw voor Ibrahimovic, die handelde naar de wetten van het straatvoetbal van Malmö: pingelen, de show stelen, schelden en zo nu en dan een beuk uitdelen. Als het even kon nam hij daarom de wijk naar Zweden, waar hij zich overgaf aan vertrouwde activiteiten: bommetjes gooien, stelen en rondscheuren in een sportauto.

En toch, er knaagde iets. Bij zijn moeder was het een chaos, zijn vader zat ’s avonds in een alcoholische roes met een koptelefoon naar Balkanmuziek te luisteren. Op een dag, vlak voor Kerstmis, werd het hem allemaal te veel. Hij belde een vriendin, de elf jaar oudere zakenvrouw Helena, die zich in haar buitenhuis over hem ontfermde. Zij leerde hem onder meer wat visbestek is en dat hij een glas wijn niet als melk in één slok achterover moest gieten. Met haar keek hij voor het eerst naar Zweedse thrillers; het begin van een huiselijk bestaan. In die tijd leerde hij ook zijn zaakwaarnemer Mino Raiola kennen. Deze Italiaanse immigrantenzoon uit Haarlem stelde hem de vraag of hij de beste van de wereld wilde worden of veel geld wilde verdienen. Zlatan: ‘De beste van de wereld.’ Raiola: ‘Goed zo! Want als je de beste van de wereld wilt worden, komt de rest vanzelf.’ Was zijn periode bij Ajax toch nog ergens goed voor. Met Helena en Raiola aan zijn zijde kon hij de wereld aan.

Zlatan Ibrahimovic met David Lagercrantz: Ik, Zlatan. Vertaald door: Geri de Boer Ambo, 334 blz. € 19,90

    • Menno de Galan