Applaus ontvangen kun je leren

Orkestlid zijn is meer dan alleen de partituur spelen. Het LSO vroeg een buitenstaander te bekijken hoe het orkest zich naar het publiek presenteert. „Niet erbij zitten alsof je op de bus zit te wachten.”

Publiek rekent een klassiek orkest niet alleen af op muziek. Het is het totaalplaatje. Wat doen musici tijdens de dode spelmomenten? Hoe nemen ze applaus in ontvangst? Hoe gaan ze af?

Met die vragen in gedachten liet het Limburgs Symfonie Orkest (LSO) de afgelopen maanden tijdens vijf concerten opnamen maken zonder dat de musici dat wisten. Cabaretier Hester Macrander, die ook bedrijfsworkshops en trainingen presentatietechnieken geeft, keek naar de beelden. Het kon een stuk slechter, zegt ze na een korte introductie op een vrijdagochtendbijeenkomst van de orkestleden. Tevreden gejoel bij de musici. „Maar jullie zijn minder goed dan de Berliner Philharmoniker.” De LSO’ers reageren ad rem: „Die krijgen ook beter betaald!”

Macrander evalueert aan de hand van fragmenten. Sommige musici zitten erbij „alsof ze op de bus zitten te wachten”. Het orkest mag meer plezier uitstralen. Het gaat ook over kleding. Bij de vrouwen kan het beter, vindt Macrander. Misschien moeten ze elkaar wat beter in de gaten houden. „Iets T-shirtachtigs kan echt niet op het podium. En koop bij gewichtstoename wat ruimere kleding.”

In de pauze krijgt Macrander volop vragen en opmerkingen. „Moeten musici bij een slechte solist ook klappen?” Ja, vindt Macrander. Een beleefdheidsapplaus. Kritiek op de keuze van de solist moet achteraf intern worden besproken.

LSO-directeur Henri Broeren vertelt dat het zetten van de laatste puntjes op de i vaak doorzettingsvermogen vergt. „Bij het 125-jarig bestaan van het orkest hebben alle mannelijke musici bijvoorbeeld lakschoenen gekregen. Maar ze worden niet door iedereen bij elk concert aangetrokken. De eerste keer worden musici gewaarschuwd. Soms is een brief nodig.”

Na de pauze toont Macrander een opname van het afgaan van het orkest. Sommige musici gaan nog even met elkaar in gesprek. Lachen. Slaan elkaar op de schouder. Dat vindt ze mooi. Maar een grote groep lijkt zo snel mogelijk weg te willen en verdringt zich bij de uitgang in de coulissen. Dat kan eigenlijk niet.

Aan het slot van de bijeenkomst wil Macrander oefenen op het in ontvangst nemen van applaus. De musici moeten zich opstellen in orkestformatie. Macrander ziet hoe trombonist Axel Urlings zowat wegkruipt in een gordijn en met zijn houding weerzin uitstraalt. Of hij geen zin heeft in de oefening? vraagt ze. Urlings zegt dat dit onderdeel wel erg kinderachtig wordt. Plots klinkt uit meer hoeken van het orkest protest tegen doen alsof.

Dan maar niet, denkt Macrander. Ze somt nog eens haar bevindingen op. Een paar orkestleden voorziet ze nog in een kort persoonlijk gesprek van tips.

Hoornist Christiaan Molenaars komt achteraf nog zijn beklag doen over de teneur van de bijeenkomst. Te veel gericht op de buitenkant en te weinig op de binnenkant, vindt hij. „Het LSO is een kunstgezelschap, geen amusementsorkest. Elk orkestlid werkt vanuit zijn gevoel, zijn eigen integriteit en probeert dat ook over te brengen op het publiek.”

Geralt van Gent, assistent-orkestinspecteur, is ondertussen ziedend. Dat niet mee willen doen aan een simpele oefening. Het niet willen zien van het belang van het zetten van puntjes op de i. Hij ergert zich er mateloos aan. „Discipline, daar zijn die Duitse orkesten zo goed door geworden. Boetes op witte sokken dragen. Ik zeg niet dat wij dat moeten invoeren, maar mensen vaker aanspreken op hun houding zou goed zijn. En”, moppert Van Gent terwijl hij wegloopt, „als alle orkestleden straks ontslagen zouden worden en ze moeten voor een nieuwe baan bij elk concert lachen, dán doen ze het wel!”

    • Paul van der Steen