Waarom we niets doen

Het Westen twijfelt al een jaar over actie tegen Syrië. Ingrijpen leidt tot meer geweld en veel Syriërs zijn er tegen. De enige optie is nietsdoen.

Journalist

Westerse bewindvoerders zitten met de handen in het haar. Het geweld in Syrië neemt steeds verder toe, maar de internationale gemeenschap is er tot nu toe niet in geslaagd een resolutie aan te nemen die het regime van president Assad veroordeelt. Rusland sprak recent nog zijn veto uit in de Veiligheidsraad en kondigde aan dat het dit bij elke nieuwe resolutie weer zou doen.

Syrië is voor Rusland een belangrijke afnemer van militair materieel. Onlangs sloot Rusland nog een contract af ter waarde van 550 miljoen dollar voor de levering van gevechtsvliegtuigen aan Syrië. Moskou wil niet dat na de val van de Libische leider Moammar Gaddafi ook deze bron van inkomsten opdroogt.

Europa en de Verenigde Staten legden na de stemming in de Veiligheidsraad de schuld voor het internationale falen vrijwel uitsluitend neer bij de Russen. Ook premier Rutte verschool zich achter het argument dat ingrijpen in Syrië niet mogelijk is door het ontbreken van een volkenrechtelijk mandaat.

Dit excuus is evenwel weinig overtuigend. Voor de Amerikaanse aanval op Irak in 2003 bleek een mandaat niet nodig. Ook bij de militaire interventie in Libië werd een resolutie van de Verenigde Naties nogal ruim geïnterpreteerd, zo ruim zelfs dat Rusland zich voornam om elke toekomstige resolutie met betrekking op een van zijn handelspartners in het Midden-Oosten te blokkeren.

Het echte probleem is dat het Westen niet goed weet hoe het moet optreden.

Allereerst is het niet duidelijk hoeveel procent van de bevolking wil dat het regime valt. Peilingen op Facebook geven vrijwel altijd eenzelfde uitslag – 50 procent voor, 50 procent tegen. Ook onder mijn Syrische vrienden zijn de voor- en tegenstanders gelijk verdeeld. Ondanks het gegeven dat het regime heeft aangetoond dat het niets meer is dan een gewetenloze boevenbende, kun je daarom de vraag stellen of acties tegen het bewind van Assad wel legitiem zijn als een aanzienlijk deel van de bevolking ertegen is.

Het maakt de besluitvorming voor westerse politici nog eens extra ingewikkeld dat juist de christenen en seculieren zich neutraal hebben opgesteld of zich achter het regime hebben geschaard. Of het terecht is of niet, aan het eind van de rit heeft het Westen meer sympathie voor seculiere en christelijke minderheden dan voor sunnitische opstandelingen.

Bovendien heerst de angst voor regionale instabiliteit – wraakacties van sunnieten op de alawitische gemeenschap, een afscheiding van het alawitische kustgebied, massale migratie van christenen of zelfs een burgeroorlog. Schermutselingen van deze maand in Libanon tussen alawitische sympathisanten van het regime en sunnitische tegenstanders, waarbij drie doden vielen, tonen dat dergelijk scenario’s niet mogen worden afgedaan als doemdenken.

Hierbij geldt natuurlijk dat het regime de angst voor sektarisch geweld bij de minderheden altijd heeft aangewakkerd en gebruikt als argument om de repressie te rechtvaardigen en aan de macht te blijven.

Een lid van de Syrische oppositie in Kairo wees mij onlangs erop dat het Westen, ondanks het al elf maanden aanhoudende geweld, nog geen enkele concrete stap heeft genomen dit te stoppen. Het veto van Rusland gold volgens hem niet als excuus.

Hoewel de Syrische Nationale Raad (SNC) buitenlandse, en vooral westerse, inmenging afwijst, zei hij dat er langzamerhand weinig alternatieven meer zijn. Hij sprak zich uit tegen het officiële standpunt van de SNC en voor het instellen van een no-flyzone boven Syrië, een buffergebied in de provincie Idlib en het leveren van wapens aan het Vrije Syrische Leger (FSA), dat kampt met grote tekorten aan munitie en materieel.

Deze mogelijkheden stelt het Westen evenwel voor nieuwe hoofdbrekens. Bewapening van de slecht georganiseerde en zelfstandig opererende rebellen zal alleen maar leiden tot meer geweld. Ook zal dit besluit Syrië na de val van Assad achterlaten met gewapende milities. Dit is een nachtmerrie in een land vol sektarische spanningen.

Het instellen van een bufferzone vereist een fysieke militaire aanwezigheid. De opstandelingen van het FSA hebben immers (nog) geen gebied onder controle, zoals in Libië wel het geval was. Het Westen lijkt voorlopig geen trek te hebben in een dergelijk militair avontuur. Door de Russische tegenstand in de Veiligheidsraad is dit op korte termijn ook niet haalbaar.

‘Nog even aankijken’, luidt het cynische devies van de internationale gemeenschap, in de valse hoop dat de situatie in Syrië uit zichzelf wel zal verbeteren.

Oud-ambassadeur Koos van Dam merkte hierbij terecht op dat de westerse landen bij het in stemming brengen van de resolutie in de Veiligheidsraad, eerder deze maand, weigerden te wachten op het onderhoud van de Russische minister Lavrov (Buitenlandse Zaken) met president Assad. Het passeren van Rusland maakte een veto onvermijdelijk. Dit kwam de twijfelende bewindvoerders in het Westen misschien nog wel het beste uit.

Maarten Zeegers studeerde islamitisch recht in Damascus en deed voor deze krant verslag vanuit Syrië.