Shanghai, Seoul, Peking, Hongkong

Het Koninklijk Concertgebouworkest is op tournee in Azië. De sfeer is soms als een schoolreisje, de reis zelf een enorme logistieke operatie. Doorwaakte nachten, een vreemde dirigent, nieuwe zalen en overal enthousiast publiek. Mischa Spel reisde mee en maakte een reportage.

February 17th 2012. Shanghai, China. The Royal Concertgebouw Orchestra on tour in Asia plays at the Shanghai Oriental Art Center in Pudong.

Griep en koek

Donderdag 17 en vrijdag 18 februari: Shanghai.

De Pudong-kant van Shanghai is fonkelnieuw. Voor 1995 stond hier niets, nu is het een zakenkwartier waar alleen de exotische begroeiing verraadt dat je in China bent. En het verkeer. Vanuit hun hotel in het oude deel van de stad slalomt het Koninklijk Concertgebouworkest in drie mintgroene bussen naar het Shanghai Oriental Arts Centre. In een stad van 23 miljoen inwoners is invoegen op de vierkante centimeter gewoon, en worden rijbanen als een suggestie opgevat. Musici kijken af en toe verstoord uit het raampje. Echt opveren doen ze alleen als er een instrument omvalt. Artistiek directeur Joel Ethan Fried ziet krijtwit. „Griepig”, bromt hij. Algemeen directeur Jan Raes is na drie dagen in bed net herrezen. Het tijdsverschil van zeven uur met Nederland en de overgang van lenteachtig Hongkong naar vriesfris Shanghai zijn bij meer musici hard aangekomen. „Ik heb vandaag tot 1 uur uitgeslapen”, zegt een violiste tevreden.

Twee musici zijn officieel geveld, violiste Caroline Strumphler stootte haar teen tegen het hotelbed. Die is gebroken, blijkt na een foto in het ziekenhuis. Intapen en doorspelen maar. „Daarom boeken wij goede hotels”, zegt manager planning en productie Frauke Bernds. „En daarom reizen we in ruime bezetting. Bij alle strijkers hebben we twee extra musici, die rouleren of zieke collega’s vervangen. De blazers zijn dubbel bezet. Als er daar iemand uitvalt, kunnen we niet even snel een invaller opsporen, daarvoor zijn die posities te prominent.”

Drommen voor Janine

Het Shanghai Oriental Arts Centre van architect Paul Andreu oogt modern, als een orchidee opengevouwen rondom een koud en winderig atrium. De muren zijn bedekt met gebakken ovalen die aan café noirs doen denken. Iets te drinken? Daar doen ze hier niet aan. Chinese concertgangers eten een ijsje of rukken meteen in hun windjacks op naar de zaal, waar twee pinnige suppoostmeisjes in felrode manteltjes hun functie ernstig opvatten. Bezoekers die – eenmaal in de zaal – weer naar buiten willen, worden met een gil en een ruk aan de jas tegengehouden. Wel een controlestrookje meenemen, anders kom je er straks niet meer in. Kaarten zijn duur: 180 euro voor de eerste rang, fors meer dan in Nederland en hier het honderdvoudige van een lange taxirit. Toch is de samenstelling van het publiek de vleesgeworden wensdroom van elke zaaldirecteur. De gemiddelde bezoeker oogt jong, zestigers zijn in de minderheid, er zijn volop kinderen in de basisschoolleeftijd en veel concertgangers ogen opvallend opgetogen. Op de eerste rij zit Martin Campbell-White, een baas van impresariaat Askonas Holt. De orkesttournee is voor het eerst geheel door zijn bureau opgezet. „Het is praktischer zo”, zegt David Bazen, zakelijk manager van het KCO. „Je kunt als orkeststaf best een paar keer heen en weer reizen, maar voor contact met zalen, vervoerders en andere plaatselijke instanties is een agent effectiever, omdat die zijn contacten ter plekke frequenter onderhoudt. In Europa zijn we overigens wel bezig steeds meer boekingen juist zonder agent af te handelen. Dat scheelt kosten en geeft een beter overzicht.”

Bibliothecaris Douwe Zuidema, ook altijd mee op tournee, snuift erbij. „Impresario’s zijn boeven. Ze eisen steeds hogere percentages.” Voor Zuidema zit het werk er verder op. De bladmuziek komt grotendeels uit Amsterdam. „Alleen Schubert spelen we uit Koreaanse partijen. Dirigent Chung stond daar op. Maar het orkest wordt er narrig van. Ze missen hun eigen partijen, met hun eigen, in jaren opgebouwde aantekeningen.”

Chinese zalen zijn niet rijk. Hier betaalt men voor een concert van het KCO (kosten ca. 180.000 euro per avond) beduidend minder dan de concertzaal in Seoul volgende week. „Wij begroten de tournee als geheel, en dan is het een beetje puzzelen om het allemaal rond te krijgen”, zegt planningsmanager Bernds. „Seoul dekt af wat China te weinig betaalt.” Maar erg winstgevend is een tournee nooit, zeker niet naar Azië of de Verenigde Staten. Waarom ze het dan doen? Een complex aan overwegingen, zegt Bazen. „De winst is niet groot, maar levert wel een structurele bijdrage. Daar komt bij: wij hebben jaarlijks ruimte voor 120 concerten. Dat wij 80 concerten in Amsterdam kunnen vullen, is al bijzonder. Ik denk niet dat er animo voor nog eens veertig zou zijn. En het is leuk om wereldberoemd in Amsterdam te zijn, maar je wilt je naam ook internationaal bevestigen.”

Per seizoen leveren tournees het orkest grofweg een miljoen euro op, op een totale jaarlijkse begroting van 24 miljoen. Het ene land is lucratiever dan het andere. Amerika: geheel niet. Benelux en Duitsland: vooral als er niet overnacht hoeft te worden. China: een beetje. Japan: jazeker. Australië: absoluut. Bazen: „Alleen boeken ze daar maar één buitenlands orkest per jaar, helaas. Daarmee is de markt verzadigd.”

Tijdens het concert in Shanghai sluipen de zaalsuppoosten scherp gebukt door de paden. Tijdens applaus richten ze zich op, en tonen als boksmeisjes in de ring een oplichtend bord. „No Camera!” Daarna wordt er door iedereen driftig gefotografeerd. Met een telefoon, dat wel.

„Mij viel de concentratie in de zaal enorm mee”, zegt plaatsvervangend solocellist Johan van Iersel. „De vorige keer dat we in China waren werd er gebeld, gepraat en zelfs gegeten. Chaos! Nu zaten 1.800 man toch overwegend aandachtig te luisteren.” Daaraan wordt hard gewerkt. Digitale tekstborden met uitleg voorkomen onwenselijk klappen tussendoor. Verdere verboden worden in helder Oxford-Engels opgesomd door de intercom. Niet eten en drinken, geen kuchen, geen kinderen „onder de één meter”. Een kleuter in de zaal die piept, wordt even discreet als subiet afgevoerd.

Ontspannen genieten is hier niet het idee, en over de Schubert-visie van dirigent Myung Whun-Chung zou je ook het nodige kunnen zeggen. „Hij is een goed dirigent, maar als orkest zijn wij zijn relaxte aanpak niet echt gewend”, zegt soloaltist Michael Gieler. Doorgaans en idealiter toert een orkest met zijn eigen, vertrouwde chef-dirigent. Maar Mariss Jansons heeft dit jaar een semi-sabbatical en dirigeert zijn orkest alleen in Amsterdam. Zijn vervanger Chung heeft een andere werkwijze en laat het orkest erg veel speelruimte, letterlijk. „Ik vond hem een beetje levensmoe overkomen”, zegt hoboïst Jan Kouwenhoven. „Jammer. De grote kwaliteit en bijzonderheid van ons orkest is juist dat het flexibel is, en het spelkarakter kameleontisch kan aanpassen aan het repertoire en de dirigent. Dat ervaar ik zelf zo, maar het was ook wat ik hoorde toen ik voor ons personeelskrantje de journalisten nabelde die het orkest in 2008 hebben uitgeroepen tot Beste Orkest ter Wereld. De keerzijde van die flexibiliteit is dat ons orkest soms, zoals volgens mij nu, ook te slap kan spelen. En van ondermaats presteren wordt iedereen een beetje neerslachtig. Waarom ben je hier dan?”

Maar ook met Chung en in de weinig cadeau gevende akoestiek van Shanghai zijn de twee concerten eclatante publiekssuccessen. De grootste publieksmagneet is Janine Jansen, die nog niet eerder in China en Korea optrad. Ze moet na een vlammend gespeeld Vioolconcert van Mendelssohn vier keer terugkomen voor applaus en voorziet na het concert geduldig een 150 meter lange rij fans van handtekeningen. Een meisje in een ruitjesjasje straalt als ze haar handtekening heeft. Ook aan naborrelen doet men hier niet, althans: de toehoorders niet. Orkestmusici geven ruiterlijk toe dat een straffe borrel „zeker op tournee soms gewoon noodzakelijk is”. In de bus worden restaurantadressen en de voor- en nadelen van wijn in een pak besproken. Of pokerwedstrijden beraamd. Tourmanager Frauke Bernds moet erom lachen. „Op tournee draait alles weer om jagen en verzamelen.” Op straat is het om tien uur uitgestorven.

    • Mischa Spel