Lekker gefopt door asperges

In Parijs is een tentoonstelling te zien over trompe-l’oeils. Niet in de schilderkunst, waar deze oogbedriegertjes bekend zijn, maar in de toegepaste kunst.

In het Musée des arts décoratifs in Parijs is een tafel gedekt met mooi servies; geen wonder gezien de naam van het museum, dat is gevestigd in een vleugel van het Louvre. Er ligt eten op het servies. Iets wonderlijker. In het midden staat een grote kalkoen, er zijn asperges, frambozen, artisjokblaadjes, prei en paling. Iets wonderlijker slechts, want net als het servies is dit voedsel in het midden van de achttiende eeuw bereid, net als het servies is het gemaakt van aardewerk. Of is het toch veel wonderlijker? Een asperge eet je nu eenmaal van een bord en dat bord kun je versieren, met geometrische patronen of met bloemetjes of zelfs met asperges. Maar waarom een asperge van aardewerk maken die zich zo weinig mogelijk onderscheidt van een echte asperge? Pas als je hem oppakt, blijk je bedrogen.

Het Musée des arts décoratifs wijdt een presentatie aan de trompe-l’oeils uit eigen collectie. Dat is verrassend, want het is juist een verschijnsel uit de schilderkunst. Die kunst begint er zelfs mee. Voor de Grieken en Romeinen was het bedriegen van de ogen het hoogst haalbare: zo schilderen dat het geschilderde niet geschilderd lijkt. Daar zijn talloze anekdotes over. Niet alleen mensen maar ook dieren lieten hun ogen bedriegen; Plinius schrijft over vogels die in door Apelles geschilderde druiven pikken en paarden die gaan hinniken bij het zien van een geschilderde soortgenoot. In de Gouden Eeuw bloeide de trompe-l’oeil in Nederland, met schilderijen van meesters als Samuel van Hoogstraten en Cornelis Gijsbrechts, in de vorige eeuw schitterde het nog in het surrealisme van vooral Magritte. Nicolaas Matsier schreef er twee jaar geleden een prachtig boek over, Het bedrogen oog, waarin hij ook de hedendaagse straatkunst van onder meer Banksy meeneemt.

Maar in de zeventiende eeuw werd trompe-l’oeil al lang niet meer gezien als het hoogst haalbare; het was een genre geworden ergens onderaan de ladder, ver onder de historieschilderkunst en de allegorie, misschien zelfs nog een sport onder het stilleven, en dat is eigenlijk zo gebleven. Het hoogst haalbare van de klassieken was een grapje geworden waar Rembrandt zich al niet meer toe verlaagde en Rothko al helemaal niet. Toch zou je het nog steeds als de kern van de schilderkunst kunnen zien: het genre waar, om het nog eens in het Frans te zeggen, de raison d’être van de schilderkunst het onverbloemdst naar voren komt. De trompe-l’oeil is het toppunt van realisme en van illusie. Het werk van Michelangelo, Monet, Rembrandt en Rothko, het is allemaal meer of minder trompe-l’oeil. Er loopt een directe lijn van de druiven van Apelles naar de Campbell Soup van Andy Warhol.

Het instinct tot nabootsing is de mens eigen, net als het instinct om van nagebootste dingen te genieten, zei Aristoteles. Gefopt worden is bij de trompe-l’oeil de overtreffende trap van genieten.

Pygmalion

Strikt genomen is de trompe-l’oeil vooral een kwestie van perspectief. In drie dimensies valt dan ook een deel van het plezier weg: het is nu eenmaal makkelijker een appel te boetseren die op een appel lijkt dan er een te schilderen. Toch kun je ook in de beeldhouwkunst een familie bedriegers aanwijzen; van Pygmalion die een beeld maakte van een vrouw zo levensecht dat Aphrodite haar echt levend kon maken, via de Brillo-boxen van alweer Andy Warhol naar de beelden van Ron Mueck en Duane Hanson of de sculpturen van Fischli en Weiss. Het is ook geen familie die tot de westerse kunst beperkt is. In Japan zijn sommige netsuke, kleine sculpturen die oorspronkelijk knopen waren, niet van echt te onderscheiden, als ze bijvoorbeeld de vorm van een noot of een muis of een muis met een noot hebben. Uit precolumbiaans Peru zijn kruiken bekend in de vorm van zoete aardappels, kalebassen en andere vruchten.

Samen lijken al die dingen soms wel deel uit te maken van een groot geheim plan waarvan de oorzaak niet te vatten is. Waarom is de mens gezegend of vervloekt met het instinct tot nabootsen? Het doel van het geheime plan wordt wel steeds duidelijker. Het moet wel gaan om het maken van een perfecte reproductie van de wereld; een kopie die niet te onderscheiden is van het origineel. Gaat heen en vermenigvuldig de wereld.

Schilder- en beeldhouwkunst zijn slechts twee van de middelen die bij dit reusachtige werk van nut zijn geweest. Later kwamen daar fotografie en film bij, eerst zwart-wit en stil, nu in kleur en 3D. De middelen breiden zich uit en worden steeds beter in hun taak. De triomf komt in zicht.

Terug naar het heden. Ik zie een jas waarop een sjaal is gebreid, pruiken, een boekenkast die eigenlijk een drankkast is, leer dat goud lijkt, laminaat dat parket nadoet. De samenstellers hebben het begrip trompe-l’oeil ruim genomen. Ik verwacht ook de drol en het braaksel uit de feestwinkel tegen te komen.

Trompe-l’oeil blijkt in de toegepaste kunst voor al een kwestie van materialen te zijn. Het ene materiaal doet alsof het het andere is. Plinius schreef al over marmer dat met verf wordt nagebootst. In het museum ligt linoleum, dat vlak na zijn uitvinding in de negentiende eeuw vooral gebruikt werd ter imitatie van vloerbedekking die al bestond. In de loop der jaren is men ook in dit namaken steeds beter geworden. Met plastic kan bijna alles nagebootst worden. Vandaar misschien de huidige hang naar authenticiteit. Die gaat zo ver dat de meeste mensen een appel van aardewerk wel tot de kunst zouden willen rekenen en een appel van plastic niet. Sommige dingen verliezen hun inauthentieke status na verloop van tijd. Linoleum heeft zijn eigen stijl gevonden; er bestaat nu naast imitatieparket ook imitatielinoleum.

Sloophoutbehang

Kun je zulke nep als vals marmer en laminaat nog wel trompe-l’oeils noemen? Ja, dat kan, er is geen reden om dit soort toepassingen uit te sluiten. Maar als dat eenmaal kan, kun je ook een vervalsing van een schilderij van Picasso een trompe-l’oeil noemen. Zo wordt het begrip misschien toch te ruim. Wat zei Aristoteles ook weer? Misschien is een trompe-l’oeil alleen een trompe-l’oeil als je na de ontdekking van het bedrog meer plezier beleeft dan ervoor. Anders is het oplichterij.

Ook met dit voorbehoud blijven er in de toegepaste kunst genoeg trompe-l’oeils over. Een van de meesters hier is modeontwerpster Elsa Schiaparelli, die al in de jaren twintig een trompe-l’oeiltrui ontwierp. Op de expositie is opvallend veel werk van Nederlandse ontwerpers te zien. Er staat bijvoorbeeld een tuintafel van plastic dat op zwartgeverfd hout lijkt, een idee van Ineke Hans, en er is gefotografeerd behang van het sloophout van Piet Hein Eek.

De tentoonstelling beperkt zich tot westerse kunst. Toch is er een niet-westers idee dat steeds in me opkomt terwijl ik over de kleine, maar volle presentatie loop, van een porseleinen kopje dat al in 1770 van hout leek naar de stickers in de vorm van een ouderwetse deur van de vooral als modeontwerper bekende Martin Margiela. Het langst blijf ik toch staan bij de objecten die juist door hun realisme hun mysterie niet willen prijsgeven. Een bord van porselein met walnoten van porselein erop, uit de achttiende eeuw. Een bord van aardewerk met olijven van aardewerk erop. Waarom? Waarom in de achttiende eeuw gemaakt, waarom bewaard gebleven?

De ultieme trompe-l’oeil is misschien niet op de tentoonstelling maar op een eiland in de Stille Oceaan te vinden. Daar bouwden de bewoners van het eiland Tanna in de jaren veertig van hout en riet en wat verder voorhanden was een vliegveld na, inclusief vliegtuig, verkeerstoren met antennes, radio’s en koptelefoons.

Waar hoopten de eilanders met deze imitaties op? Dat de ogen van de goden zich zouden vergissen en hun rijkdommen kwamen brengen? Of maakten ze de dingen na om er grip op te krijgen? Om het onverklaarbare althans na te maken? Misschien kun je alle kunst zien als een soort cargocult.

Trompe-l’oeil. Imitations, pastiches et autres illusions. in Musée des arts décoratifs, Parijs. T/m dec. 2013. Di t/m zo 11-18u, do 11-21u. Inl. lesartsdecoratifs.fr