Klassieke muziek is staatszaak

Klassieke muziek leeft in China vooral bij jongeren. Door de Culturele Revolutie bleef de westerse muziek verborgen voor enkele generaties. Maar sommigen, zoals Yang Yandi, leerden de muziek nog van hun grootouders.

February 16th 2012. Shanghai, China. The Royal Concertgebouw Orchestra on tour in Asia plays at the Shanghai Oriental Art Center in Pudong.

Sinds een maand of wat speelt Yang Yandi (48) weer revolutionaire marsmuziek op zijn accordeon. Jarenlang liet de muziekprofessor, criticus en pianist het enige instrument dat hij in zijn jeugd mocht bespelen ongebruikt in een kartonnen doos. „Die accordeon heeft mij ervoor behoed dat ik, net als al mijn vrienden en leeftijdsgenoten, naar het platteland werd gestuurd, accordeonisten waren nodig in de rode stads- en de legerorkesten”, vertelt Yang, die een van de belangrijkste conservatoria van China leidt, het 85 jaar oude Shanghai Conservatorium in de voormalige Franse Concessie.

Yang gebruikt zijn persoonlijke geschiedenis om te illustreren dat de ontwikkeling van klassieke muziek, die in de jaren twintig en dertig op gang was gekomen in republikeins China, langdurig onderbroken is geweest. Eerst door de oorlog met Japan, de overlappende burgeroorlog en vervolgens door de Mao-jaren, waarin communisten westerse muziek verboden.

Yang groeide niet op in een musicerende familie, maar raakte door zijn ouders en grootouders wel al vroeg vertrouwd met westerse klassieke muziek. Zijn opa en oma hadden in het Shanghai van de jaren dertig nog gewalst op muziek van de orkesten van Wit-Russische, vaak joodse vluchtelingen.

Hij wilde als jongen van tien graag een instrument leren bespelen en zijn vader maakte de keuze voor accordeon. „Dat was in de Culturele Revolutie ook de meest veilige keus en je leerde meteen de klassiekers zoals Het Oosten is Rood, Socialisme is Goed en Ode aan het Moederland”, vertelt hij.

Terwijl zijn vriendjes op het platteland ideologisch gekneed en afgebeuld werden, bleef hij in Shanghai waar hij als 14-jarige in het leger werd gerekruteerd als soldaat-accordeonist. Zo vaak moest hij Ode aan de Mars van het Achtste Leger en andere revolutionaire nummers spelen, dat hij jarenlang de accordeon niet wilde aanraken.

„Ik had ook geen tijd, want na de Culturele Revolutie en de dood van Mao kon ik mij op mijn passies storten – piano spelen, piano studeren en naar Mahler luisteren. Gelukkig ging in de jaren tachtig China open voor klassieke muziek”, vertelt Yang. „Natuurlijk, vanzelfsprekend” was hij vorige week bij de twee concerten van het Concertgebouworkest in Shanghai. Als hij in Amsterdam zou wonen, ging hij iedere week.

Yang vraagt wat mij het meeste opviel aan publiek. Ik antwoord dat er opvallend veel jonge ouders met kinderen aanwezig waren. „Allemaal tijgerouders die hun kind willen blootstellen aan topkwaliteit. Maar je kon ook zien dat een heel duidelijke leeftijdsscheiding aan te brengen is tussen liefhebbers van klassieke muziek in China”, legt hij uit. Klassieke muziek is in China een zaak van jongeren. De oudere generaties, vanaf een jaar of vijftig, zijn niet opgegroeid en vertrouwd geraakt met klassieke muziek en zijn dan ook zelden in concertzalen te vinden. De enige plaatsen waar zij wel luisteren zijn in de danszalen en in de parken tijdens de dagelijkse danssessies.

Voor iedereen die na de Culturele Revolutie opgroeide of werd geboren ligt dat anders. Zij maakten in ieder geval kennis met klassieke muziek op de lagere school, waar muziekonderricht een verplicht vak is. Om die reden zitten de muziektheaters vol met jongeren tot een jaar of 40, 45. Zeker in de grote steden kunnen jongere generaties zich ook de toegangsprijzen – voor het Concertgebouworkest tot 200 euro – veroorloven.

„Klassieke muziek is booming”, zegt Yang. Alle steden beschikken over een of meerdere conservatoria en symfonische orkesten, Shanghai maar liefst over drie, het orkest van de opera meegerekend. Yangs conservatorium heeft „slechts” 2.000 studenten, conservatoria in steden als Chengdu (Sichuan) hebben 10.000 studenten. Iedere stad heeft tegenwoordig een kolossaal muziektheater, vaak ontworpen door een buitenlandse architect.

Musici worden steeds beter betaald – een violist in een toporkest verdient gemiddeld 1.200 euro per maand – en kunnen door de toevloed van leerlingen goed bijverdienen als muziekleraar. Chinese tijgermoeders in de uitdijende middenklasse vormen de motor achter deze toestroom, die in Shanghai op zaterdag altijd goed zichtbaar is. Dan vullen scholen zich met jongens en meisjes die nauwelijks groter zijn dan hun instrumentenkoffers. „Iedere Shanghaise moeder wil dat haar zoon een tweede Lang Lang wordt”, grijnst Yang. Of hoopt op zijn minst dat haar kind later terecht kan bij toppers als het Shanghai Symphonie Orkest, het Chinees Philharmonisch Orkest en het Symphonie Orkest van Guangzhou.

Dit zijn niet toevallig allemaal orkesten die worden geleid Long Yu, de Chinese Herbert von Karajan. Long Yu is niet alleen een naar China teruggekeerde topdirigent, maar heeft ook nauwe banden met de partijtop. Klassieke muziek in de Volksrepubliek is namelijk een staatszaak. De vraag of dat misschien de reden is dat de Chinese orkesten wel tot de subtop maar niet tot de top behoren, wil Yang liever niet beantwoorden.

Wel erkent hij het verschil met bijvoorbeeld het Hongkongse Symphonie Orkest waar de Nederlandse dirigent Jaap van Zweden de muzikale leiding krijgt. „Een kwestie van geld, van salarissen. Hongkong is veel rijker en heeft een muzikale traditie”, denkt Yang Yandi. Hij voorspelt dat het een kwestie van tijd is dat vastelandsorkesten ook tot de wereldtop gaan behoren, omdat steeds meer Chinese bedrijven de klassieke orkesten gaan sponsoren. „Als we meer Lang Langs hebben en dirigenten als Long Yu komt het goed.”