Het nostalgisch ‘je’

Ik zat in een eersteklas coupé, want daar is het meestal rustig. Behalve als er NS-medewerkers zitten die naar huis gaan, want die gebruiken de eersteklas het liefst om te klagen over de NS. Je had niets. Niets had je. Maar toch was je gelukkig Zo ook nu. Toen het onderwerp ‘arbeidsvoorwaarden’ was afgerond, ging

Ik zat in een eersteklas coupé, want daar is het meestal rustig. Behalve als er NS-medewerkers zitten die naar huis gaan, want die gebruiken de eersteklas het liefst om te klagen over de NS.

Je had niets. Niets had je. Maar toch was je gelukkig

Zo ook nu. Toen het onderwerp ‘arbeidsvoorwaarden’ was afgerond, ging de vrouw in het gezelschap door over hoe weinig beweging ze tegenwoordig nog kreeg. Ze zei: „Vroeger was het anders. Je ging op de fiets en dan had je al beweging. Maar nu is die conditie ver te zoeken.”

Jaaaa, werd er beaamd. Je bewoog vroeger eigenlijk van nature veel meer. En dan was je wel moe, maar ’s avonds sliep je ook veel lekkerder! Dat waren nog eens tijden.

Dit waren voorbeelden van iets wat ik maar even noem: het nostalgisch ‘je’. In het Nederlands is het gebruikelijk om, wanneer je bevangen bent door een nostalgische bui, acuut in de jij-vorm te gaan praten. Oude mannen doen dit vaak. „Je had niets. Niets had je. Maar toch was je gelukkig, je speelde met een oud conservenblik en dan deed je alsof dat een auto was. Meer had je niet nodig.”

Meestal wordt de tweede persoon juist gebruikt om afstand te creëren. Voetballers die gevraagd worden naar een mislukte wedstrijd, schieten meteen in een defensief: „Je probeert die opening te zoeken en dan meteen een actie te maken. Maar ja.”

Ook geïnterviewden gebruiken vaak ‘je’ om maar niet over zichzelf te hoeven praten. „Je schrikt natuurlijk enorm als de politie ineens op de stoep staat.”

Wie ‘je’ zegt in plaats van ‘ik’, doet alsof wat hij beschrijft algemeen geldt. Met hem is niets geks aan de hand, want de rest doet het net zo.

Bij het nostalgisch ‘je’ is het een beetje anders. Wie dat gebruikt, wil juist heel graag over zichzelf praten, en liefst zo specifiek en uitgebreid mogelijk. „Je fietste naar Nibbixwoud en als je daar aankwam kreeg je melk bij je grootmoeder.” Dat is in de verste verte niet algemeen te noemen.

Misschien beseft de nostalgische persoon ook wel dat niemand echt lang naar je jeugdverhalen wil luisteren. Door ‘je’ te gebruiken lijkt het verhaal voor iedereen interessant.

    • Paulien Cornelisse