Foto's als vraagtekens

Porno, daar gaat het allemaal om. Het duurt even voor je het beseft, maar dan komt de klap des te harder aan, in het Haus der Kunst in München: voor de Duitse kunstenaar Thomas Ruff is het maken van een foto net zoiets als het vervaardigen van porno. Voor alle zekerheid: wie hoopt dat dit stuk nu verder gaat over prikkeling en seks en geilheid (mede gestimuleerd door Ruffs nudes-serie, waarvoor hij zeer expliciete pornografische foto’s van internet zo bewerkte dat al die handelingen verdwijnen achter een waas van pixels) moet ik teleurstellen – geilheid interesseert Ruff namelijk maar marginaal. Wat wel: dat fotografie je net als porno, een wereld voorschotelt die ergens geworteld lijkt in de werkelijkheid, die bereikbaar zou kunnen zijn, mogelijk zelfs echt, maar die je, desondanks, zelf nooit zult ervaren.

Je zou dat zelfs een kernprobleem van de fotografie kunnen noemen (ooit al prachtig beschreven door Susan Sontag): dat elke foto, simpelweg door het feit dat ie wordt gemaakt, de werkelijkheid esthetiseert, optilt, verbijzondert. Daar is op zich weinig bezwaar tegen, zo lang je als toeschouwer dat mechanisme maar doorziet.

Maar dat is het probleem: juist doordat we zo vaak met zo veel foto’s om de oren worden geslagen, zijn we steeds meer geneigd te denken dat er ergens in die esthetisering een kern van waarheid zit (net zoals je, door lang in interieurbladen te kijken denkt dat jouw huiskamer met die specifieke bank ook al bijna design is). En daar komt Ruff weer om de hoek kijken: hij heeft als fotograaf zo z’n twijfels bij de stille conventies van zijn vak, bij het esthetiseren, de suggestie van uniciteit. Tegelijk is Ruff geen moralist: hij wil dat esthetiseren niet veroordelen, hij toont vooral hoe het werkt en stelt er vragen bij, om de toeschouwer uit die lome schommeling van de beeldenvloed te sleuren. Om ons opnieuw op scherp te zetten. Beter te kijken.

Dat is ook meteen het intrigerende aan het grote Ruff-overzicht in München: de spanning, de twijfel die Ruff altijd heeft gehad over zijn eigen medium wordt er prachtig zichtbaar. Thomas Ruff (1958) begon zijn carrière als leerling van het beroemde fotografenduo Bernd en Hilla Becher met twee voor hem (en zijn leermeesters) typerende series. Zowel in ‘Häuser’ als ‘Porträts’ probeerde hij de huizen en de gezichten van mensen zo objectief mogelijk vast te leggen. Vooral de portretten-serie werd legendarisch: Ruff regisseerde zijn modellen zo dat alle expressie, alle emotie, ieder lachje van hun gezicht verdween en er van hun hoofden niets anders overbleef dan ‘gipsen bustes’ – waar hij opvallend vaak in slaagde. Maar juist doordat je als toeschouwer niet gewend bent om in het gezicht van een ander (onder wie overigens ook Stedelijk-conservator Leontine Coelewij, die nu door heel München hangt te pronken als de Mona Lisa van de tentoonstelling) helemaal niets te kunnen lezen, word je nog sterker geprikkeld je tot deze ‘koppen’ te verhouden. Om iets in ze te projecteren.

Al snel maakt Ruff echter een inhoudelijke omslag: vanaf het begin van de jaren negentig gaat hij steeds vaker onderwerpen verbeelden die in het normale leven ‘ongezien blijven’ – en die hij dus, uit de aard van de zaak, niet met z’n eigen camera kan vastleggen. Ruff wordt steeds meer een appropriation photographer: een kunstenaar die zijn beelden niet per se zelf hoeft te maken, maar wiens werk er vooral uit bestaat foto’s van anderen uit te kiezen en eventueel naar eigen inzicht te bewerken – om de beelden op die manier zichtbaar te maken, zijn toeschouwers om de oren te slaan met gecompliceerde werkelijkheden die anders buiten hun zicht zouden blijven. Zo bouwt Ruff al vroeg een opmerkelijke fascinatie op voor foto’s van de ruimte. Prachtig zijn de enorme, zeer precieze zwart-witafbeeldingen van sterrenhemels (waarvoor hij originelen gebruikt van het European Southern Observatory) – grote diepzwarte vlakken met uiterst geconcentreerde witte puntjes en nevels – ons sterrenstelsel. De afgelopen jaren voegt hij daar onder andere foto’s van Mars (gemaakt door de NASA) aan toe en foto’s die werden gemaakt door de ruimtesonde Cassini. De kracht van deze werken zit ’m precies in de onzekerheid waarmee Ruff je slaat: ze zijn prachtig, je weet dat ze zijn geworteld in de werkelijkheid, maar je komt niet te weten in hoeverre hij ze heeft gemanipuleerd. Hoe mooi ze ook zijn, je kunt er niet werkelijk van genieten – je voelt je vooral verloren en op het verkeerde been gezet. Waar kijk ik eigenlijk naar?

Waar houdt de werkelijkheid op? Wie Ruffs hemelfoto’s ziet kan zich ineens goed voorstellen dat er mensen zijn die geloven dat de maanlanding van 1969 nooit heeft plaatsgevonden en de beelden allemaal in scène zijn gezet. Noem het ruimteporno.

Iets soortgelijks geldt op een veel subtielere manier voor de zogenaamde jpeg-serie, waar Ruff vanaf 2004 aan werkt. Hiervoor gaat hij appropriaton-technisch nog een stap verder: hij haalt simpelweg foto’s, suggestieve foto’s, mooie foto’s, van anderen van internet. Die blaast hij zover op dat ze uiteenvallen in grove pixelblokken – neem je als toeschouwer genoeg afstand (wat in de immense grote zaal van het Haus der Kunst geweldig kan), dan vloeien ze langzaam weer tot een beeld ineen. Op die manier stelt Ruff opnieuw de grenzen van de beeldbeheersing aan de kaak: wat is eigenlijk de betekenis van een foto op internet, die enorme beeldenvloed waar foto’s niet eens meer in materiële vorm bestaan, maar alleen nog maar simpele blokkendozen zijn die je op willekeurig welke manier in elkaar kunt zetten?

Zo beschreven lijkt Ruffs werk misschien vrij deconstructivistisch en theoretisch, maar het bijzondere is dat hij je, ondanks dit besef, telkens weet te verleiden. Een bezoek aan deze tentoonstelling is als een voortdurende confrontatie met de grondslagen van de fotografie. Waar kijk ik in vredesnaam naar? Wat betekent het? En als ik dit mooi vind, wát vind ik dan mooi?

Precies in die verwarring, in die bijna oneindige opeenstapeling van gedachten en emoties weet Ruff zijn doel perfect te bereiken. Gescherpt, geprikkeld maar ook een tikje verward ga je na afloop weer naar buiten. Zou je deze beelden ooit zelf kunnen vinden?

Thomas Ruff. T/m 20 mei in Haus der Kunst, Prinzregentenstrasse 1, München. Inl. www.hausderkunst.de

    • Hans den Hartog Jager