De Chinese Sven Kramer en de Spelen van 2028

De provincie Friesland heeft zichzelf gisteren een grote dienst bewezen. De Provinciale Staten beslisten, niet zonder fel debat, dat het huidige Thialf Stadion in Heerenveen zal worden gerenoveerd. Nieuwbouw op een andere plek zou vijftig miljoen euro meer hebben gekost, en dat kan de provincie in deze tijden beter elders gebruiken.

Een van de redenen voor de nieuwbouw is dat zonder een state-of-the-art schaatsbaan Nederland in de toekomst internationale schaatstoernooien zou gaan missen. Alsof de internationale schaatssport zonder Nederland kan. Het WK-allround, afgelopen weekeinde in Moskou, spreekt bibelebonse boekdelen: Nederlandse reclames, schaars, Nederlands publiek, Nederlandse televisiekijkers, Nederlandse camera’s en regie (NOS) en een vrijwel Nederlands erepodium. De rest van de wereld verliest zijn interesse: allround is geen Olympisch nummer.

Voor de overheid komt er een oneindig veel duurdere beslissing aan: het eventuele bod van Nederland voor de Olympische Spelen van 2028. Er zijn al prima rapporten geschreven over haalbaarheid en draagvlak. En over een mogelijk verlies van 2 miljard euro, maar of 2028 al dan niet rendabel wordt is een kwestie van semantiek.

Alle onderzoeken die er inmiddels zijn geweest slaan echter één factor over: China. David Johnson, een Amerikaanse econoom van de Universiteit van Colorado, voorspelt al jarenlang griezelig accuraat de medailletabel van de komende Spelen. Twee van zijn voornaamste variabelen: de bevolkingsgrootte en de welvaart, gemeten als het bbp per hoofd van de bevolking. De eerste variabele ligt voor de hand: hoe groter de poel van talent, hoe groter de kans op Olympische winnaars. De tweede variabele gaat om het ontsluiten van die poel van talent. Als de welvaart toeneemt, zijn mensen doorgaans gezonder, krijgen meer vrije tijd, worden de faciliteiten beter en kan de overheid meer geld besteden aan topsport.

Dat voorspelt weinig goeds. Over een jaar of tien streeft China Amerika voorbij als grootste economie ter wereld. Tegen 2028 is het Chinese bbp per hoofd een kleine 18.000 dollar, tegen prijzen van nu. Dat is dan een derde van dat van Amerika, tegen een vijftiende in 2011.

Er zijn in 2028 dus anderhalf miljard Chinezen met een welvaart die vergelijkbaar is met die van Zuid-Korea in 2006. Dat prikkelt de fantasie over de toekomstige medaillespiegel van de Spelen. In 2008 haalde China, hoewel met de wind in de rug omdat het de Spelen zelf organiseerde, 10,4 procent van alle medailles. In 1988, toen zowel Amerika als het Oostblok weer meededen, was dat 3,7 procent. Wat gebeurt er dan de komende twintig jaar? Dat ligt er aan of de vooruitgang lineair is of niet. Gaat de lijn gewoon rechtdoor, dan moet je rekenen op tussen de 15 en 20 procent van de medailles. Buigt hij, net als het bbp per hoofd, naar boven, dan is veel meer mogelijk: een kwart tot een derde.

Daarmee gaan we terug naar de Thialf-kwestie. Verliest het publiek zijn interesse als de eenvormigheid op het erepodium te groot wordt? Wat als de Jins, Wens, Bo’s en Xi’s in 2016, 2020, en 2024 al oprukken om daarna in Amsterdam tot vervelens toe het goud, zilver en brons te pakken? Elke sportmarketeer, sponsor en adverteerder zou daar nu al rekening mee moeten houden. Anders zapt tegen die tijd iederéén naar De Wereld Draait Door.

Maarten Schinkel