De buurvrouw

Tot mijn spijt kon ik deze week op een avond niet doorgaan met het lezen van De buurman, de nieuwe postume roman van J.J. Voskuil, omdat ik naar een bijeenkomst over Voskuil in de Rode Hoed moest. Merkwaardig: Voskuil zat Voskuil in de weg.

Op die bijeenkomst trof ik mensen die De buurman al gelezen hadden, wat het allemaal nog veel erger maakte. Iedereen wilde me vertellen hoe het verder ging, en dus moest ik steeds ruw allerlei gesprekken afbreken, terwijl ik mijn vingers in mijn oren stopte of met hard gezang de ander probeerde te overstemmen. Hierbij mijn excuses voor mijn onbeschofte gedrag.

Op deze avond vond ook een interview plaats met Lousje Voskuil-Haspers, de weduwe. Lousje ging toch niet dat hele boek verklappen? In dat geval zou ik demonstratief de zaal moeten verlaten.

Het viel reuze mee. Lousje wist wat haar te doen stond, ze wilde alleen in grote lijnen over het boek praten. Hanneke Groenteman, die haar interviewde, paste zich goed aan, zodat er toch nog een levendig gesprek ontstond tussen twee vrouwen die elkaar begrepen.

Lousje is 85 jaar, maar nog steeds kwiek van lijf, leden en geest. Hanneke wilde haar het trapje naar het podium op helpen, maar dat hield ze gedecideerd af. (Ik noem hen Lousje en Hanneke, anders gaat dit stukje op een gemeenteraadsverslag lijken.)

Eerst liet Hanneke ons en Lousje een fragment zien van een interview uit 1997 dat zij voor haar tv-programma De Plantage met Voskuil gemaakt had. Voskuil vertelt daarin waarom hij zijn boeken in de eerste plaats schreef: om zichzelf te leren kennen, „want ik ken mezelf niet”.

„Aangrijpend om te zien”, zei Lousje toen het voorbij was. Hanneke vroeg hoe ze zich de laatste tijd voelde. „Het gaat redelijk”, zei ze, „het is te doen.”

De buurman, geschreven in 2001, is een onverhuld autobiografische roman over de vriendschap tussen Maarten en Nicolien Koning en hun twee homoseksuele buurmannen. Die vriendschap roept grote spanningen op tussen Maarten (Han Voskuil) en Nicolien (Lousje). Han was niet bijster geïnteresseerd in de mannen, Lousje zag hen als underdogs en wilde hen beschermen. Meer wil en kan ik er niet over zeggen, want ik ben pas op pagina 39. Mij viel op dat er in dat korte bestek al heftiger ruzies tussen de echtelieden plaatsvonden dan in het hele Het Bureau. Twee huilbuien van buurvrouw Nicolien in veertig pagina’s!

„Vond je het niet moeilijk dit boek uit te geven?” vroeg Hanneke. „Niet zo erg”, zei Lousje. „Het was nodig. Han wilde het.” Toen de oudste van de twee mannen stierf, kon het uitgegeven worden. Zijn jongere vriend vormde geen belemmering.

Wat Lousje merkbaar hinderde, was de veronderstelling van lezers dat het in hun huwelijk altijd hommeles was. „We hadden maar een paar keer per jaar ruzie, maar dan werd het wél door Han opgeschreven. Het ging hem om de conflicten. We hadden een geweldig huwelijk, maar je kunt een boek niet vullen met: ‘Gezellige dag, borreltje gedronken’.”

De buurman is de allerlaatste roman van Voskuil, vertelde Lousje. We konden alleen nog rekenen op zijn dagboeken. „Mooie dagboeken, onthullend.” Maar die mogen pas tien jaar na haar dood gepubliceerd worden. „Han heeft dat zo laten vastleggen.”

Tien jaar! Ik voelde enige teleurstelling. Omdat Lousje minstens honderd jaar gaat worden, moet ik zelf de negentig halen om het nog te kunnen lezen. Dat red ik niet.

    • Frits Abrahams