Borreltafelpraat van Icke over de Citotoets

Het is maar goed dat we in Nederland centrale, professioneel ontwikkelde, objectieve toetsen hebben. Daar kan een astrofysicus met zijn ongefundeerde mening niet tegenop, stelt Cees Glas.

De Citotoets wordt al jaren omringd door emoties. Tussen 1982 en 1995 werkte ik op het toetsinstituut Cito, als methodoloog en statisticus. Op verjaardagen en feestjes werd ik bekeken met enige achterdocht. Ook in mijn huidige werk, op de Universiteit Twente, merk ik dat sommige studenten met enig afgrijzen terugdeinzen als ik mijn aan Cito gerelateerde onderzoek behandel.

Dit is begrijpelijk. Getoetst worden is voor de meesten niet leuk.

Meestal neem ik de ongunstige reacties voor lief. De overheid vraagt van middelbare scholen dat ze behalve het advies van de basisschool ook een objectief gegeven zoals de Citoscores meenemen in hun toelatingsbeslissing. Dit is verstandig. Subjectieve oordelen zijn heel waardevol, maar uit onderzoek blijkt dat verwachtingen van onderwijzers, leerlingen en ouders elkaar op een heel ongewenste manier kunnen beïnvloeden. Een objectief gegeven naast het onderwijzersoordeel kan daarom geen kwaad.

Soms zijn negatieve reacties daarentegen niet voor lief te nemen. Op 20 februari werd ik geconfronteerd met een stukje onder de titel ‘De Citotoets is even zeker als een schedelmeting’. Dat stuk is ondertekend door „astrofysicus, beeldend kunstenaar en publicist” Vincent Icke. Als je zo ondertekent, profileer je jezelf als wetenschapper. Daarom heb ik zijn stukje gelezen met een wetenschappelijke bril op.

Ik lees: „De Citotoets biedt niets dan schijnzekerheid over wat een kind weet of kan”. Is dit zo?

Toetsscores hebben voorspellende waarde. Die voorspellende waarde is beperkt. Daarom worden de scores voorzien van betrouwbaarheidsintervallen. Ze geven een voorspelling, maar die voorspelling is niet perfect. Er zijn veel andere factoren die het succes bepalen, zoals gezondheid, sociaal-economische status en cultureel kapitaal van de ouders. Verder verklaart de school zelf ook nog ongeveer 10 procent van de variantie in leerprestaties.

Icke doet voorkomen alsof je van de Citotoets kunt eisen dat deze de verdere schoolloopbaan en carrière van een leerling perfect zou moeten kunnen voorspellen. Zo werkt het niet in een complexe sociale realiteit. Verder zou de toets smal zijn en geen betrouwbare indicator voor algemene kennis.

De toets bestaat uit scores op rekenen, taalvaardigheid, studievaardigheden – met bijvoorbeeld kaartlezen, gebruiken van naslagwerken en lezen van tabellen en grafieken – en optioneel wereldoriëntatie. Ik geef toe dat dit niet het complete spectrum van onze culturele beschaving dekt, maar het lijken me toch geen irrelevante aspecten. Als lid van de technische begeleidingscommissie van wereldwijd onderzoek naar kennis en vaardigheden van leerlingen (het PISA-onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) en volwassenen (het PIAAC-onderzoek van dezelfde organisatie) weet ik dat deze vaardigheden niet alleen in Nederland van waarde worden geacht.

Het alternatief van Icke is het meten van het evenwicht tussen eigenwaarde en de waarde van anderen, vindingrijkheid, doorzettingsvermogen, nieuwsgierigheid, opmerkzaamheid en incasseringsvermogen. Hoe dat betrouwbaar en valide zou moeten, meldt hij niet. Griezelig wordt het bij de suggestie „meet liever of een kind een goed karakter heeft”. Wat is een „goed karakter”? Er zijn totalitaire samenlevingen geweest waarin men het wist, maar ik verlang er niet echt naar.

Het einde van het betoog van Icke is nog merkwaardiger. Hij stelt: „op de uitdraai van de Citocomputers zul je de nieuwe Einstein of Mandela niet aangewezen zien”. Dit klopt. Wie zoiets beweert, heeft het ook niet helemaal begrepen. Hiervoor is de Citotoets niet.

Het belangrijkste probleem dat ik met het stukje van Icke heb, is dat ongefundeerde stellingnames die je bij borreltafelpraat zou verwachten, worden verkocht onder (pseudo-)wetenschappelijke titel. Ik ben het ermee eens dat we moeten oppassen dat we het onderwijs niet kapottoetsen en dat ouders en scholen de bedoeling van de Citotoets niet moeten ondergraven door kinderen voor de toets te trainen of door het onderwijs volledig op de toets in te richten. Ouders moeten begrijpen dat ze hiermee niet de kwaliteit van leven van hun kinderen verbeteren. Van onderwijsgevenden mag je verlangen dat ze de kwaliteit van hun onderwijs niet om zeep helpen. Toch is het feit dat we in Nederland centrale, professioneel ontwikkelde, objectieve toetsen en centrale examens hebben, een groot goed. Dit moeten we niet zomaar kapotmaken.

Cees Glas is hoogleraar onderzoeksmethodologie, meetmethoden en data-analyse aan de Universiteit Twente.

    • Cees Glas