Aanraken is nog steeds kopen, kijken is voelen

Het 17de-eeuwse schilderij heeft het formaat van een vel briefpapier. Het is een snapshot in olieverf. Links staat een bejaarde kerel die naar zijn drankneus wijst. Een misrekening van de schilder, de man zal niet zijn neus bedoelen, maar zijn ogen. Want rechts staat een marskramer en die dringt die ouwe een brilletje op. Hij gaat te werk volgens de strategie van de straatventer: hij verzekert zich van oogcontact met de klant en duwt de koopwaar in zijn hand.

Dat gebaar verbindt de 17de eeuw van het doek met onze 21ste eeuw. Aanraken is kopen – zo gaat dat nog altijd. Probeer maar eens zonder schuldgevoel die namaak-Ray-Ban terug te leggen op het kleedje van de straatverkoper.

De schilder mikte de arm van de marskramer verkeerd uit. Niet zijn elleboog buigt, maar zijn ellepijp. Dat moest wel, anders was de marskramerhand niet opdringerig genoeg uitgepakt.

Het kleine doek heet Brillenverkoper en het is van Rembrandt van Rijn. De Lakenhal in Leiden heeft het pas aangekocht, dat las ik en ik ben meteen even gaan kijken. Een suppoost wijst de weg. Hij zegt schamper: „Het was een bruikleen, het hing hier al.” En toen heb je het links laten liggen, suggereert hij. En hij heeft gelijk.

Rembrandt was 17 toen hij dit rembrandtje schilderde. Het is onaf en onbeholpen. Hij was technisch nog lang niet meesterlijk. De tienduizend uren die volgens wetenschapsjournalist Malcolm Gladwell elk genie moet maken om zijn talent te laten ontbloeien, had hij nog grotendeels voor de boeg. Maar hoe onbevangen plenst hij hier al met licht en donker. Hij twijfelt niet. Hij weet hoe hij het wil hebben, hij moet alleen nog even wat zoeken.

Maakt het nou eigenlijk uit dat ik weet dat Brillenverkoper van Rembrandt is? Ik wilde dat ik nee kon zeggen. Maar het is ja. Met zijn latere werk in gedachten zie ik Rembrandt hier al barsten van mensenkijkdrift. Die zal hem later in staat stellen tot de vertederende dijen van de badende Hendrickje, tot de verschrikkelijk dode handen van de gewurgde Elsje Christiaans, tot zijn eigen melancholieke George Clooney-blik in dat ene late zelfportret. De jonge Rembrandt bekeek marskramer en koper met het air van de opdonder die zich de oude dag nog volstrekt niet kan voorstellen. Maar hij temperde de lepe blik van de een met rimpeltjes naast zijn oog. Via beverige hulpeloosheid maakte hij de ander koddig, in plaats van stupide. Hij voelt voor ze.

Ik denk weer aan de Brillenverkoper halverwege Present/s, de tweede van de dubbele voorstelling waarmee Het Nationale Ballet zijn 50-jarig jubileum viert.

In de pauze vertelt een stel dat dit hun eerste dansvoorstelling is. „We hebben de kaarten gekregen.”

Mazzel, denk ik. Niet snel krijg je de kans om zo kennis te maken: met korte stukken van de negen lievelingschoreografen van Het Nationale Ballet. Het openingsstuk van de avond verleidde hen niet meteen. „Ik moest erin komen. Maar toen sleepte het me toch mee”, zegt de man. Het verbaasde hem, bekent hij. Hij had niet gedacht dat hij er iets aan zou vinden, aan dat ballet. Zijn vriendin informeert naar de rest van het programma. Ik voorspel dat ze straks in elk geval het werk van het choreografenduo Paul Lightfoot/Sol León mooi zullen vinden.

Terug in de zaal kijk ik onwillekeurig met hun ogen. Ik ken de choreografen van alle stukken, maar wat zie je als dit alles nieuw voor je is? Eerst is er een stuk van de romantische Rus Alexei Ratmansky. Tsjaikovski. Koppels die smachtend achter elkaar aan jagen. Lekker klassiek. Ballet zoals het hoort, maar niet tuttig. Daarna – ik stel het opgelucht vast want ook al zie ik het stel nooit meer terug, ik voel me verantwoordelijk – is het stuk van Lightfoot en León inderdaad onweerstaanbaar. Ik zie de invloed van Jiri Kyliàn, hun leermeester. Ik zie hoe trefzeker ze nu zijn, hoe eigengereid. Mijn pauzevrienden zou dat niks zeggen. Zij hebben de luxe van de onbevangen blik. Wat zien zij dan? Dit. Een danseres in het wit, een bliksempje op spitzen, schaart haar ledematen om haar partner. Mannen springen hoog en breed, alsof zweven een optie is. Slapstick ontmaskert de wereld als een jolig tranendal.

Ze zullen tevreden zeggen dat ze niet weten wat ze erover moeten zeggen. Denk ik.

Joyce Roodnat