Vrolijke bloemen

Bij de bloemist stond ik hevig te aarzelen. Zou ik nu niet eens wat anders mee naar huis nemen dan die eeuwige tulpen of rozen?

Er stond veel fraais om me heen te pralen, maar ik had geen idee hoe het allemaal heette en hoe lang het houdbaar bleef. Bovendien waren er soorten bij die een gruwelijke gifmoord op onze kat, een gretige eter van bloem en plant, konden betekenen. Onze bovenburen verloren nog onlangs een jong katje dat zich argeloos te goed had gedaan aan de bougainville op het balkon.

Terwijl ik me als een ware kenner over allerlei bloemen boog en nog steeds net deed of ik de tulpen en rozen niet zag staan, kwam een vrouw van middelbare leeftijd binnen. Haar gezicht zag paarsig van de kou, die ze zonder hoofddeksel („slecht voor je haar”) getrotseerd had.

„Ik kom de pot met bloemen halen”, zei ze tegen het meisje achter de toonbank.

Het meisje wist meteen wat ze bedoelde en daalde een trappetje af naar een benedenruimte. Ze rommelde er wat en verscheen ten slotte met een grote, hoge, witte pot, overvloedig gevuld met tulpen in allerlei soorten en kleuren. Het was een opzienbarend vertoon van bloemschikkunst, zó onweerstaanbaar fleurig en voorjaarsachtig.

„Wat ziet dat er geweldig uit”, zei een vrouwelijke klant die bij de toonbank stond te wachten. Ze keek ernaar alsof ze het wel zelf zou willen kopen.

De vrouw die de pot kwam afhalen knikte. „Ja, schitterend, nog mooier dan ik dacht toen ik hem bestelde.”

„Zo vrolijk ook.”

„Ja...”, zei de vrouw. Ze aarzelde. „Maar het is niet voor zo’n vrolijke gebeurtenis. Het is voor een begrafenis. Van mijn zusje. Ze is onverwacht gestorven.”

Er viel een stilte waarin je een bloem kon horen vallen. Ik staakte mijn gezoek en keek naar de toonbank, waar de verkoopster en de andere klant geschrokken een gepaste reactie overwogen. „Gecondoleerd”, zei de verkoopster. En, na enige aarzeling, met een knikje naar de bloemen: „Uw zus moet een vrolijk iemand zijn geweest.”

„Dat nou juist niet”, zei de vrouw, „maar ik dacht: laat ik haar op de begrafenis nu maar een vrolijke bos bloemen geven, want ze heeft in haar leven al genoeg narigheid meegemaakt. Misschien kan ze het van bovenaf zien en wordt ze er toch nog een beetje vrolijk van.” Ze keek van de ene naar de andere vrouw. „Maar eigenlijk geloof ik daar niet in.”

De verkoopster schudde het hoofd. „Er is nooit iemand teruggekomen die erover kon praten, maar je weet maar nooit.”

Een echte dooddoener, maar wel eentje met een eeuwig leven.

De vrouw wees op de pot. „Zit er ook water in?”

De verkoopster knikte. „Heel veel, hij is tot bovenaan gevuld.”

De vrouw probeerde de pot op te tillen. „Veel te zwaar om mee naar huis te nemen.”

„Ik schud het water eruit, dan moet u het thuis bijvullen”, zei de verkoopster. „En in de auto naar de begraafplaats moet u er weer wat water bij doen, want ze kunnen niet zo lang zonder.”

De vrouw pakte de pot voorzichtig op. „Zal ik u even helpen?” zei ik en deed een paar passen naar de toonbank. Sterke man biedt helpende hand, het wordt van ‘ons’ verwacht, je kunt je er niet aan onttrekken.

„Het gaat wel”, zei ze, „ik woon maar een paar minuten hier vandaan.”

En daar ging ze met haar vrolijke pot. Zelf kocht ik snel twee belachelijk royale bossen: tulpen én rozen.

    • Frits Abrahams