Verkenner van de academische grens

Frits Staal wilde dat er met een analytisch, en niet met een exotisch oog naar de oosterse cultuur gekeken zou worden.

De zondag overleden filosoof en sanskritist Frits Staal koppelde zijn kennis van het Indiase denken aan een belangstelling voor wiskunde en exacte wetenschappen. Dankzij een beurs van de Indiase regering kon hij in de jaren vijftig drie jaar lang Indiase filosofie studeren in Madras en Benares. In oosterse denktradities zocht hij echter, anders dan veel anderen, niet naar het exotische maar naar het universele. Zo beschouwde hij de Sanskrietgrammatica van de oud-Indiase taalkundige Pânini als een voorloper van Noam Chomsky’s generatieve taalkunde. Ook bepleitte hij een wetenschappelijke (lees: taalkundig geïnspireerde) aanpak om de mystiek te onderzoeken.

In 1962 werd hij hoogleraar algemene en vergelijkende wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij het al snel aan de stok kreeg met de Duits-georiënteerde hoogleraar Jan Aler. In 1967 publiceerde Staal in tijdschrift De Gids zijn geruchtmakende Zinloze en zinvolle filosofie, waarin hij betoogde dat uitspraken als ‘Das Nichts nichtet’ van de Duitse filosoof Martin Heidegger wel betekenisvol lijken maar het niet zijn; wie het – destijds invloedrijke – Wahrheit und Methode van Heideggers leerling Hans-Georg Gadamer opensloeg, kreeg „de indruk dat hij een inrichting voor geesteszieken werd binnengelokt”. Dergelijke kritiek was al eerder geuit; maar Staals woorden ontketenden een storm in de destijds vooral Duits en theologisch georiënteerde academische Nederlandse filosofie.

Aan deze lokale richtingenstrijd heeft Staal verder niet deelgenomen; in 1967 vertrok hij uit Amsterdam naar Amerika. Op uitnodiging van Chomsky bracht hij een jaar door aan het MIT in Boston; het jaar daarop werd hij hoogleraar filosofie en Sanskriet aan de universiteit van Berkeley. Deze positie heeft hij tot aan zijn emeritaat in 1991 behouden. De laatste jaren van zijn leven verbleef hij voornamelijk in Thailand, al bezocht hij van tijd tot tijd Amerika en Nederland.

In 1983 publiceerde hij zijn hoofdwerk AGNI, een gedetailleerde beschrijving van een oeroud Indisch vuurritueel. Hierin poneerde hij ook de theorie dat rituelen in oorsprong geen religieuze of symbolische handelingen vormen maar letterlijk ‘zinloos’ zijn: ze kennen wel regels voor correcte uitvoering, maar hebben geen betekenis. Deze hypothese is duidelijk schatplichtig aan Chomsky’s generatieve grammatica. Ze heeft echter weinig aanhang gevonden onder latere antropologen; die betogen dat het handelingsaspect en de symbolische dimensie van rituelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Anders dan Staal denkt is het Agni-ritueel niet van oorsprong betekenisloos, maar heeft het zijn aanvankelijke functies verloren en is dus zinloos geworden.

In Nederland had Staal meer aanzien en invloed in literaire dan in academisch-filosofische (of antropologische) kringen. Deels kwam dat door zijn banden met tijdschriften als De Gids en zijn vriendschap met schrijvers als Harry Mulisch. Zijn populariteit in bredere kringen bereikte een hoogtepunt in 1986, toen de bundel Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap verscheen en Staal, althans in Nederland, tot een academische popster maakte.

Die roem heeft hij in later jaren meermaals ten goede aangewend. Begin jaren negentig was hij actief in de zogeheten ‘Adviescommissie kleine letteren’; deze bepleitte een nieuw financieringsmodel voor de studie van de meer exotische talen aan Nederlandse universiteiten, die steeds meer te lijden had van kleine studentenaantallen en teruglopende financiering. Daarbij maakte Staal, geheel in stijl, gewag van de absurditeit om een taal als het Chinees, die door meer dan een miljard mensen wordt gesproken, onder het label ‘kleine letteren’ te scharen.

Ook werd hij niet moe het provincialisme van de Nederlandse academische filosofie te bekritiseren. Volgens hem moest die niet alleen contact zoeken met de wetenschappen, maar ook met niet-westerse denktradities. Dat anno 2012 de kleine talenopleidingen op sterven na dood zijn en de academische wijsbegeerte nog altijd strikt westers georiënteerd is, valt Staal moeilijk te verwijten.

    • Michiel Leezenberg