Het Cultuurpaleis der Volkeren

Bij Xidan, een van de populaire winkelgebieden van Peking, staat een gebouw dat een blauw geglazuurd dak met opgekrulde hoeken heeft. Dit gebouw, dat in september 1959 werd geïnaugureerd, is door Mao Zedong ‘Het Cultuurpaleis der Volkeren’ genoemd, maar het zou beter zijn die naam te veranderen in ‘Het Cultuurpaleis van de Etnische Minderheden’, want de tentoonstellingen die er worden gehouden vertellen stuk voor stuk verhalen over hoe de etnische minderheden een nieuw leven hebben gekregen onder leiding van de Communistische Partij. Op internet schreef iemand: ‘In de jaren zestig en zeventig waren de tentoonstellingen die jaar in, jaar uit in het Cultuurpaleis der Volkeren werden gehouden regelrechte aanklachten tegen het misdadige gedrag van de slavenbezitters in Tibet; de tentoongestelde objecten waren mensenhuiden, schedels, en allerlei martelwerktuigen.’ Die objecten waren wel echt, maar of ze authentiek waren is moeilijk te zeggen.

Na de 14 maart-opstand (in 2008, toen betogingen in Tibet uit de hand liepen) heeft het Cultuurpaleis der Volkeren, dat ooit zo troosteloos was dat het alleen met het organiseren van kledingtentoonstellingen het hoofd boven water kon houden, ter ere van Chinees Nieuwjaar achtereenvolgens twee speciale tentoonstellingen over Tibet georganiseerd, die grotendeels hetzelfde waren: beide tonen niets anders dan een gevangenisachtig ‘oud Tibet’ en een hemels ‘nieuw Tibet’. Voor de organisatie van zulke tentoonstellingen moest de regering natuurlijk een flinke som geld uittrekken, en vervolgens moest iedereen, van de staatsbedrijven tot de lagere, middelbare en hogere scholen, erheen om er te worden ‘onderwezen’. Ik ben er ook naartoe gegaan, uit vrije wil. Op de eerste tentoonstelling zag ik een oude vrouw die naar een foto van de Dalai Lama wees en met een sterk rechtvaardigheidsgevoel haar jonge kleinzoon leerde: ‘Die meneer is slecht.’ Op de tweede zag ik een gebrilde vrouw van middelbare leeftijd in een hoog tempo in het gastenboek neerschrijven: ‘Gewapende opstandelingen zijn afschuwelijk, die moeten resoluut worden onderworpen!’

Ik zag ook nog groepjes vrouwen in Tibetaanse kleren uit Lhasa, die uitleg gaven bij de tentoonstelling. Ik ging naar hen toe en begon een gesprek: ‘Zijn jullie Tibetanen?’

‘Nee, dat zijn we niet.’ Ze hadden een lach op hun gezicht en waren erg vriendelijk.
‘Zijn er ook Tibetaanse gidsen?’
‘Nee, we hebben gidsen van heel wat verschillende nationaliteiten, maar geen Tibetaanse.’
‘Hoe moet dat dan als er een Tibetaan naar de tentoonstelling komt die geen Chinees begrijpt?’
‘Hè?’ zeiden ze op een langgerekte toon, met een achterdochtige blik.

Verder was er iemand die foto’s maakte van mij en de vrienden die mij vergezelden. Tersluiks keek ik naar hem: een heel gewone, niet al te jonge man met een lichte huid hield een camera met een grote lens omhoog, hij was ons overduidelijk aan het fotograferen. Om zijn nek hing een rood kaartje, was hij een medewerker van het Cultuurpaleis? Wij liepen. Hij volgde. Als ik af en toe naar hem omkeek, draaide hij zich nonchalant om en fotografeerde iets anders. Waarom nam hij foto’s van ons? Toen ik bij het het huis was gekomen dat het gelukkige leven in het ‘nieuwe Tibet’ toonde, hoorde ik plotseling een vrouw Tibetaans praten: ‘Het werk zit er bijna op, waar ga we zo eten?’ ‘Wacht even…’ Ook dat was Tibetaans, en wel van die fotograferende man. Was hij een Tibetaan? Was hij door Lhasa gestuurd? We keken naar hem. Op enkele meters afstand. Hij deed nog steeds nonchalant. Of misschien niet nonchalant, maar alsof het het hem niets uitmaakte. In zijn ogen kon ik iets lezen als: ‘En wat zou het dat ik jullie fotografeer?’

Ja. Wat zou het. Maar het mocht jou dan wel niets uitmaken, intussen fotografeerde je mij wel, en dus heb ik jou ook gefotografeerd, ter herinnering aan deze toevallige ontmoeting tussen ons – een foto die ik later op mijn blog heb gezet.