Geschiedenis vol tranen

De geschiedenis van de Oscars zit vol controverses en tranen, van vreugde en van teleurstelling. Een overzicht aan de hand van vier opzienbarende jaren.

In this film image released by Sony Pictures, Rooney Mara is shown in a scene from "The Girl With The Dragon Tattoo." Mara was nominated Tuesday, Jan. 24, 2012 for an Academy Award for best actress for her role in the film. The Oscars will be presented Feb. 26 at the Kodak Theatre in Los Angeles, hosted by Billy Crystal and broadcast live on ABC. (AP Photo/Sony, Columbia Pictures, Merrick Morton) AP

1940

Help, de mammy is terug!

„Hallellujah”, riep Hattie McDaniel toen haar naam werd uitgesproken als winnaar van de Oscar voor beste bijrol. In het klassieke epos Gone With the Wind – in 1940 winnaar van maar liefst tien Oscars – speelde zij Mammy, de trouwe bediende van koppige heldin Scarlett O’Hara. McDaniel was de eerste zwarte acteur die een Academy Award kreeg. „This is the happiest moment of my life”, zei ze in een speech die door studiopublicisten was geschreven. Hoewel McDaniel bij het galadiner voorafgaand aan de prijsuitreiking aanwezig mocht zijn, moest zij genoegen nemen met een plaatsje achterin de zaal, vlakbij de keuken.

Gone With the Wind werd ook toen al zwaar bekritiseerd om het bekrachtigen van het ‘mammy’-stereotype: een goedmoedige, al wat oudere bediende, meestal flink gezet en met een hoofddoek. Ze is luidruchtig, temperamentvol en heeft een brede glimlach. De National Association for the Advancement of Colored People (NAACP), een van de oudste burgerrechtenbewegingen van Amerika, vond de portrettering van de door McDaniel gespeelde loyale slaaf Mammy een grote stap terug in de beeldvorming over kleurlingen.

Het duurde tot 1964 voordat een zwarte acteur een prijs zou krijgen voor een hoofdrol. In dat jaar won Sidney Poitier een beeldje voor zijn rol in Lilies in the Field. Halle Berry werd in 2002 de eerste zwarte vrouw die de prijs kreeg voor beste actrice voor haar rol in Monster’s Ball. Het leidde tot een emotionele uitbarsting toen zij het beeldje in ontvangst nam: „Oh, my God. This moment is so much bigger than me. It’s for every nameless, faceless woman of colour that now has a chance because this door tonight has been opened.” Precies tien jaar later zijn Viola Davis en Octavia Spencer genomineerd voor hun rollen in The Help. Ze spelen mammy’s, maar of ze er, net als Hattie McDaniel in 1940, een prijs voor krijgen, is zeer de vraag.

1949

De Britse invasie

Een van de officiële regels van de Oscars luidt: „Met nationaliteit of lidmaatschap van de Academy wordt geen rekening gehouden.” Maar niets menselijks is de leden van The Academy vreemd, ook chauvinisme niet. In 1929, toen voor het eerst Oscars werden uitgereikt, klapte men nog vriendelijk voor de Duitse acteur Emil Jannings die de prijs kreeg voor twee rollen. In 1934 was het applaus al wat koeler toen de Britse acteur Charles Laughton won voor zijn koningsrol in The Private Life of Henry VIII. Was die prijs eigenlijk niet bestemd voor Paul Muni? – waarbij men even vergat dat Muni in Polen was geboren en pas op 7-jarige leeftijd met zijn ouders naar Amerika emigreerde. In 1940 werd het nog erger, toen wonnen zelfs twee Britten prijzen: Vivien Leigh (Gone With the Wind) en Robert Donat (Goodbye Mr. Chips). In de jaren erna namen de vijandigheden flink toe. Amerikanen mopperden op de nominaties voor Laurence Oliviers Henry V (1947), terwijl de Britten in 1948 vonden dat David Leans Dickens-verfilming Great Expectations de prijs voor Beste Film had moeten krijgen en niet Gentleman’s Agreement. Maar het werd echt oorlog in 1949, toen de Britten veelvuldig genomineerd waren: voor Hamlet (6 nominaties) en The Red Shoes (5 nominaties). Toen de scenarioprijzen werden uitgereikt grapte de presentator in een poging de kou uit de lucht te halen „William Shakespeare was niet genomineerd”.

De dag na de festiviteiten kondigden de belangrijkste Hollywoodstudio’s aan dat zij de Oscarceremonie niet meer wilden financieren. Het gevolg was dat de Oscaruitreiking het jaar erop in een veel kleiner theater moest worden gehouden. En de Britten bleven winnen, onder meer voor Lawrence of Arabia (1963), Tom Jones (1964), A Man for All Seasons (1967), Oliver! (1969) en Chariots of Fire (1982).

Vorig jaar verzilverde de Britse film The King’s Speech 4 van zijn 12 nominaties. Dit jaar is het de beurt aan de Fransen: The Artist is genomineerd voor tien Oscars. Een Franse film die de Amerikaanse stille film bezingt: ironischer kan bijna niet.

1973

Een vleesparade

„Marlon Brando kan deze genereuze prijs helaas niet accepteren.” Op het podium staat niet Marlon Brando, die in 1973 de prijs voor beste acteur had moeten ophalen voor zijn spel in The Godfather, maar een jonge vrouw in vol indianenornaat. Ze stelde zich aan het verbouwereerde publiek voor als Sacheen Littlefeather, een Apache en president van de National Native American Affirmative Image Committee. Ze had een 15 kantjes tellende brief van Brando bij zich, maar van de producent van de Oscarshow mocht ze slechts 45 seconden speechen. Als reden voor Brando’s weigering van de Oscar gaf ze Amerika’s slechte behandeling van indianen in films en op televisie maar ook in werkelijkheid, zoals het bloedbad bij Wounded Knee in 1890. Brando had eerder dat jaar ook al de Golden Globe geweigerd. Brando’s collega George C. Scott had een jaar eerder zijn nominatie voor beste acteur in Patton afgeslagen, nadat hij hetzelfde had gedaan voor The Hustler (1962, beste bijrol). In een brief aan de Academy schreef hij beleefd dat hij niet in competitie wilde zijn met zijn collega’s, maar in een interview zei hij over de Oscars: „Het is verdomme een vleesparade, beledigend, barbaars, en ingeboren corrupt. Ik wil er niets mee te maken hebben.” Dustin Hoffman dacht er in 1974 hetzelfde over: „De Academy Awards zijn obsceen, smerig en niet meer dan een schoonheidswedstrijd.” Hij kwam dat jaar dan ook niet opdagen bij de Oscarceremonie, waar hij was genomineerd voor Lenny, een biopic over komiek Lenny Bruce. In 1980 was hij wel van de partij en gaf hij een veel mildere speech toen hij het beeldje kreeg voor Kramer vs. Kramer.

Er is altijd een band geweest tussen de Oscars en politiek. Zo werd de ceremonie na de moord op Martin Luther King in 1968 twee dagen uitgesteld, anders zou hij samenvallen met zijn begrafenis. Tien jaar geleden presenteerde Woody Allen, een regisseur die normaliter ceremonies schuwt, een speciale montage met filmclips waarin de stad New York een grote rol speelde – een hommage aan de slachtoffers van 9/11 en aan de veerkracht van de stad.

En er zijn altijd wel winnaars die hun speech aangrijpen voor een politiek statement, vaak tot groot ongenoegen van acteurs en kijkers met een andere politieke voorkeur. Wat acteur Edmund Gwenn, die de Kerstman speelde in Miracle on 34th Street (1948, beste bijrol), zei is veel veiliger: „Now I know there is a Santa Claus.”

1997

Triomf van de ‘indies’

„Show me the money!” riep Cuba Gooding Jr. in Jerry Maguire. In 1997 kon Gooding gaan oogsten toen zijn bijrol in het Tom Cruise-vehikel werd bekroond. Hij kon zijn geluk niet op en danste over het podium, ondertussen God en zijn agent bedankend. De prijs voor deze door een grote studio gefinancierde film was in 1997 echter een uitzondering. De Oscars gingen dat jaar vooral naar films die buiten de studio’s om waren gemaakt door onafhankelijke producenten. Een symbolische nagel aan de doodskist van de grote Hollywoodstudio’s die sinds 1948 geleidelijk hun invloed zagen tanen, totdat het hele studiosysteem eind jaren zestig inzakte.

In de jaren dertig en veertig had je nog weinig onafhankelijken (independents). Alleen David O. Selznick, de producent van Oscarwinnaars Gone With the Wind (1940) en Rebecca (1941), en Samuel Goldwyn durfden het indertijd aan om zelfstandig films te maken. Goldwyn triomfeerde in 1947 met The Best Years of Our Lives – goed voor zes Oscars.

In 1997 waren vier van de vijf voor Beste Films genomineerde producties gemaakt door independents: Shine, Secrets & Lies, Fargo en The English Patient. Die laatste film verzilverde maar liefst 9 van zijn 12 nominaties. Toen Juliette Binoche de gedoodverfde winnares van de Oscar voor beste vrouwelijke bijrol Lauren Bacall (The Mirror Has Two Faces) versloeg, bood zij Bacall haar excuus aan voor het winnen van het beeldje: „I don’t know why I got this. It’s not my fault.” Die avond wonnen ook Frances McDormand (Fargo), Geoffrey Rush (Shine) en Billy Bob Thornton voor zijn scenario van Sling Blade; allemaal onafhankelijke producties.

De reactie van Hollywood? Het gestadig opkopen van de onafhankelijke maatschappijen om ze vervolgens bij de eerstvolgende reorganisatie de nek om te draaien.

Zelfs Miramax, in de jaren negentig een zeer invloedrijke independent, is niet meer. Het werd verkocht aan Disney, die het twee jaar geleden opdoekte en de naam verkocht. De oprichters van Miramax gingen in 2005 door onder de naam The Weinstein Company, dat de rechten van The Artist kocht en de stille film uitbracht in de Amerikaanse bioscopen. The Artist sleepte tien Oscarnominaties in de wacht. Niet slecht voor een independent.