Een ander in je hoofd? Ga slapen

Dissociatie komt niet door jeugdtrauma’s, maar door slaapgebrek, opperen onderzoekers.

Man Counting Sheep --- Image by © CJ Burton/Corbis © CJ Burton/Corbis

Medisch redacteur

Ken je dat gevoel? Dat een ander in je huid gekropen is, dat je in een droom rondloopt of dat alles in slowmotion gebeurt? Psychologen noemen deze verschijnselen dissociatie: een toestand waarin je even buiten jezelf of buiten de realiteit lijkt te staan, zonder samenhang tussen je waarneming, geheugen en gedachten.

De helft van de mensen heeft zoiets weleens. Maar er zijn ook mensen die er zo vaak last van hebben dat er sprake is van een stoornis. Er zijn verschillende dissociatieve stoornissen, zoals depersonalisatie (even buiten jezelf geplaatst zijn) en dissociatieve identiteitsstoornis (DIS), vroeger bekend als meervoudige persoonlijkheidsstoornis. DIS-patiënten hebben het gevoel dat er meerdere persoonlijkheden in hun lijf wonen, die soms de regie overnemen. Amerikaanse en Nederlandse onderzoekers kwamen vorige week met een nieuwe theorie over het ontstaan van deze stoornissen. Volgens hen is ernstig slaapgebrek een belangrijke boosdoener. Het onderzoek staat in het tijdschrift Current Directions in Psychological Science.

De gangbare theorie is dat dergelijke stoornissen veelal het gevolg zijn van een ernstig trauma in de kindertijd, bijvoorbeeld seksueel misbruik. Behandeling is dan ook gericht op verwerking van dat trauma. Maar die theorie is aan herziening toe, aldus de auteurs van het artikel. Volgens hen hebben de stoornissen, in elk geval voor een deel, een heel andere basis: mensen die daar gevoelig voor zijn, ontwikkelen de symptomen door invloeden van de media en hun therapeuten. Bovendien kunnen slaapproblemen veel van de klachten verklaren.

„Dissociatie zou een overlevingsmechanisme zijn dat mensen in staat stelt met trauma’s te leven”, vertelt Harald Merckelbach, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Maastricht en een van de auteurs van het artikel. „Maar dat verband is nooit met zekerheid aangetoond.” Het is heel lastig te onderzoeken, zegt hij. Vaak is niet duidelijk of het misbruik echt heeft plaatsgevonden. Bovendien is er vaak sprake van een combinatie van stoornissen die deels overlappen en elkaar beïnvloeden.

Psychotherapeut Renée Beer is het niet met Merckelbach eens. Zij werkt bij het Traumacentrum van de Bascule, het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie in Amsterdam. De mensen met dissociatieve klachten die zij in de praktijk ziet, hebben allemaal een geschiedenis met trauma. Of er echt een trauma heeft plaatsgevonden, is volgens haar van ondergeschikt belang. „Als therapeut behandel je altijd subjectieve werkelijkheden, dus wat er in iemands hoofd leeft, ongeacht wat daarvan precies waar is. Dát is waar mensen last van hebben.”

De nieuwe theorie van Merckelbach en zijn collega’s leunt sterk op een alternatieve verklaring, die andere wetenschappers al eerder hebben geopperd: dat bepaalde mensen van nature vatbaar zijn voor dissociatie. Zij hebben vaak een rijke fantasie, kunnen heel sterk in iets opgaan, voegen zich gemakkelijk in een bepaalde rol en hebben soms problemen met concentratie en geheugen. Als die mensen via de media horen over DIS, en als hun therapeut ook nog eens suggestieve vragen stelt, dan gaan ze na verloop van tijd vanzelf aan de criteria voldoen. „Let wel”, zegt Merckelbach, „dit zijn mensen die wel degelijk wat mankeert. Het zijn beslist geen aanstellers of hypochonders – en een forse subgroep heeft echt traumatische ervaringen. Het gaat ons erom dat een trauma niet per se de oorzaak is van de dissociatieve klachten.”

Ook die vatbaarheid kan niet alles verklaren, benadrukt Merckelbach. Hij en zijn collega’s opperen daarom een essentiële schakel in het verhaal: slaap. Als je gezonde mensen lang wakker houdt, krijgen ze vaak vreemde gewaarwordingen. Ook mensen met ernstige slaapproblemen hebben relatief vaak dissociatieve symptomen. En andersom hebben veel psychiatrische patiënten een slaapstoornis. Zodra ze dankzij therapie beter gaan slapen, verdwijnen bij de helft van hen de dissociatieve klachten, zo bleek uit Maastrichts onderzoek. In sommige gevallen, denkt Merckelbach, kán een trauma daarom indirect bijdragen aan dissociatieve stoornissen. Mensen die iets heel naars hebben meegemaakt, slapen vaak slecht. Als dat maar lang genoeg duurt, kan DIS het gevolg zijn.

Renée Beer vindt die laatste redenering plausibel. „Maar zo’n samenhang sluit niet uit dat trauma de onderliggende oorzaak van de dissociatieve symptomen kan zijn”, zegt zij. Overigens gelooft ze niet dat mensen zich dissociatieve stoornissen kunnen laten aanpraten. „Een goede therapeut zorgt er wel voor dat hij geen suggestieve vragen stelt.”

„Ik kan me de kritiek goed voorstellen”, zegt Merckelbach. „Er is immers veel wat we nog niet weten. Maar dissociatieve stoornissen zijn nu notoir moeilijk te behandelen. Alles wat maar een mogelijk aanknopingspunt biedt, en met slaap is dat zeker het geval, moeten we omarmen.”