De voorlezer

Job Cohen was nooit een politicus. Hij was zelfs geen burgemeester. Nee, hij was vooral een lezer – en het allerliefste las hij voor. Hij sprak een kleine bibliotheek aan luisterboeken in. Bijvoorbeeld Titaantjes van Nescio (1 cd, 10,95 euro) en Max Havelaar van Multatuli (7 cd’s, voor 22,95 euro). Als het even kon, dook Cohen de geluidsstudio in. Zijn enig gehoor bestond uit zijn vrouw en de technicus – een kleine coalitie van goedwillenden.

Daar, in de studio, hakkelde hij niet. Daar waren zijn wenkbrauwen niet wrevelig verkrampt, maar dansten ze op de zinnen. Daar vond hij zijn stem. „Misschien heb ik er wel een zeker talent voor”, zei hij in een interview over zijn hobby met Literatuurplein. En tot bewondering van de interviewer las hij „zonder een hapering” het eerste hoofdstuk voor van De tuinman van niemandsland in een keer uit. Luisterboeken krijgen weliswaar weinig aandacht, zei Cohen, „maar daar gaat het mij niet om.”

Daar gaat het mij niet om – om die zin gaat misschien alles.

Cohen gaf een keer een lezing voor het Willem Elsschot Genootschap te Antwerpen. Hij sprak over zijn liefde voor de schrijver Elsschot, die volgens hem zo „hyper-uitgeknobbeld” kon schrijven. Hij citeerde diens spotternijen met de „domheid der reclamezieke zakenlui”. En hij haalde Multatuli aan, die afgaf op de „effectenluî” met hun „speelbank” die geld vergokten op grond van „een gril, een luim, een niets”. Zelden was Cohen een vuriger strijder tegen het casinokapitalisme dan die avond; nergens vond hij betere woorden dan op de autocue van oude literatuur. Raadselachtig is dat, en tragisch wellicht – maar zeker geen tragiek om je voor te schamen.

De mooiste woorden die Cohen ooit sprak, zijn de beginregels van zijn favoriete audioboek Het grijze kind van Theo Thijssen. Luister goed:

„Maar allen zijn het hierover met elkaar eens: de mens brengt het nooit verder dan tot het vage gevoel van bijna-herkennen. Nooit verdicht zich de gewaarwording tot gedecideerde herinnering; ’t is alsof men in een mist om zich heen gestalten vermoedt, en men grijpt om zich heen, om er één vlak voor zich te halen en te kunnen zien; maar men grijpt in het ijle, er was aan die kant niets dan enkel mist. Als een onbehaaglijke vraag blijft het in je zeuren: ‘wáár ook weer? Wát ook weer precies?”

Zonder één hapering.

    • Arjen van Veelen