Waarom we moeten vasten

Vanavond is het Vastenavond, voor katholieken het begin van de vastentijd. Wie doet er nog aan? Schrijver Abdelkader Benali volgt de regels van de islamitische vastentijd. ‘Wie durft nog ruimte te maken voor een ritueel dat een gezonde dosis gemeenschapszin vereist?’

Vorige zomer hield ik heel precies bij wanneer de zon op ging en wanneer de zon achter de kim verdween. Door dat turen naar de horizon beleefde ik de tijdspassering intenser, in slowmotion. Een islamitische gebedskalender, met daarop de tijden van zonsop- en -ondergang, assisteerde me bij het betrappen van de avond.

Dat in de Nederlandse taal het verdwijnen van de zon met ondergang wordt geassocieerd, begon ik ironisch te vinden, omdat in de vastenmaand, nadat die zon weg was, er pas leven in de zaak komt. Moslims bidden vijf keer per dag, het een na laatste gebed valt onmiddellijk na zonsondergang, wat ook het moment is waarop het vasten mag worden verbroken.

Een maand lang sierde een beduimeld A4’tje, kopie van een kopie, de koelkastdeur. Ik bestudeer het zoals een treinreiziger doet met de dienstregeling op een vreemd station in een ver land. De vingerafdrukken die ik achterliet, werden allengs vetter – een duidelijke herinnering aan de concentratie waarmee ik het papiertje raadpleegde. Zomerdagen zijn lang in Nederland, zodat het uren duurde voordat de aangename zomerschemering definitief was ingeruild voor de kalme, langverwachte duisternis van de avond. Dat was het moment waarop ik aan tafel kon om te eten, te drinken.

Het breken van het vasten werd een zeer intense, geconcentreerde handeling waarin noties van tijd, voedsel en bezinning innig met elkaar verstrengeld raakten. Het was anders dan anders. Een paar weken lang raakte het routineuze eten en drinken door deze zelf opgelegde abstinentie losgezongen van z’n achteloze vanzelfsprekendheid. Wat ik niet had verwacht gebeurde. In plaats van aan te vallen op het gepresenteerde als een uitgehongerde overwinteraar op Nova Zembla at en dronk ik met een traagheid die door een literair ingestelde toeschouwer als beklemmend zou kunnen worden omschreven. Het hongergevoel was blijkbaar niet zo dwingend dat het de goede tafelmanieren totaal van tafel kon vegen.

Integendeel. Het nuttigen kreeg iets voornaams, zoals men zich dat voorstelt aan de Renaissancehoven – de overvloed ervan zo in scherp contrast met de misère en ziekte die zich buiten afspeelt. De tafel waarop de hele dag geen kruimel te vinden was, werd omgetoverd tot een praalwagen van voedsel, alles met zorg klaargemaakt, alles met een zekere ernst voorbereid. Op tafel stonden de traditionele hariri die urenlang op een zacht, blauwig vuur had gesudderd, donkerbruine vijgen en glanzende dadels, koud limoensap met ijsblokjes, handgemaakte pasteitjes gevuld met koriander en amandelen, gekonfijte vruchten – het geheel een zeventiende eeuws stilleven.

Festina, lente

Aanvallen maar! En toch niet. Omdat we er zo lang naar uitgekeken hadden, beproefden we onze zenuwen door juist niet alles in een keer soldaat te maken. Festina, lente.

Omdat het eten en drinken het belangrijkste moment van de dag werd, en omdat mijn eega en ik een flink dagdeel in de keuken hadden gestaan om het te maken, voelde het als grofheid jegens onze toewijding wanneer we de hele hap zonder blikken en blozen naar binnen zouden schrokken en slokken. Hadden we de hele dag met speelse zelfbeheersing hier naartoe toegeleefd, om daarna als de ruwe barbaren voor de poorten van Rome te staan om de zaak met de grond gelijk te maken?

Waarom deed ik dit alles, een auteur die slordig omgaat met zijn rituelen? Seculier tot in de vezels en allergisch voor alles wat naar dogma en restrictie zweemt. Had ik me in een lang en ingewikkeld proces losgemaakt van het geloof der voorvaderen, moest ik weer van voren af aan beginnen met belijden?

Blijkbaar leven we in een tijd waarin we meerdere levens kunnen leven en opnieuw beginnen. Wie durft nog ruimte te maken voor een ritueel dat restricties oplegt aan het individu, dat een gezonde dosis gemeenschapszin vereist, waarvoor je uit de carrousel van afspraken en winstbejag moet stappen?

Mijn vasten was pure luxe – een Spa-behandeling die een maand duurde. Een verwennerij voor het lichaam. Het dagelijkse bombardement van suikers, koolhydraten en zenuwpijnen wanneer de dagelijkse inname van consumpties niet onmiddellijk aangevuld raakt, is even via een simpele afspraak een halt toegeroepen. Zelfbeheersing als kunst.

Tot mijn beslissing de hele maand van ramadan te vasten, was ik gekomen uit praktische overwegingen, niet religieuze. Mijn vrouw vastte; meedoen was een teken van solidariteit binnen het huwelijk. Het leek me egoïstisch en ergens ook onnodig dan maar te brassen en te potverteren wanneer je eigen partner een zekere toewijding aan de dag legt.

Steeds minder zeggen idealen ons nog iets, gecorrumpeerd als ze lijken door de grote politiek en globalisering waarop onze principes geen vat meer hebben, dus richten we ons naar binnen. Het gezinsleven wordt het nieuwe Mesopotamië, waar de wetten van Hamurabi worden gebeiteld. Voor wat het waard is.

Kon ik in die vastenperiode wel alles doen waar ik zin in had, hoor ik daar iemand vragen. Want ik was ook in training voor de marathon van Amsterdam, wat betekende dat er elke dag soms intensief maar altijd lang getraind moest worden. Hoe zou ik me houden bij die hitte? Hoe ging het lichaam om met vochtverlies dat niet werd aangevuld? Het laatste wat ik wilde (zie daar de egoïst voor wie traditie een sta-in-de-weg is) was het lichaam, die tempel van de ziel, schade aanrichten. Schade die mijn eindtijd in de marathon danig zou benadelen.

Verleidingen

Het viel allemaal reuze mee. Ik deed mijn intensieve trainingen aan het einde van de dag. Bij de training werd mijn lichaam, dat de avond tevoren genoeg koolhydraten en suikers had opgeslagen, als een spons uitgeknepen. En ook hier gebeurde niet wat ik had verwacht: totale uitputting en een directe behoefte aan aanvulling van de energiereserves. Het lichaam kan veel aan.

Hetgeen bewijst dat onze huidige levensstijl, gericht op het consumeren van vetten, koolhydraten en suikers, onze ondergang zal zijn. We eten te veel, te onevenwichtig, te vaak. We weten nauwelijks nog onszelf te verdedigen. De vastenmaand leerde me de betrekkelijkheid in te zien van de eetimpuls die een Pavlovreactie is op de vele verleidingen waaraan we blootstaan. De zelf opgelegde regel dat ik pas zou eten wanneer het daarvoor de tijd was, reguleerde de rest van de dag.

Wat ik vreesde – dat ik bij het minste of geringste zou vallen voor een snack of zoetigheid – gebeurde niet. De mens eet vooral omdat hij in het gulzige proeven van zoetstoffen zichzelf even verdooft. De voedselindustrie biedt tientallen mogelijkheden die verdoving te verfijnen.

Het vasten is een verzet tegen al die overtolligheid, de zelfhypnose van het overvloedige maal, mij ingegeven door een vrouw. Vasten – doe het niet alleen, doe het niet voor een ander. Ik begrijp die stillevens van de zeventiende eeuw nu veel beter: natur morte. Ons eten zal onze dood zijn.