Rijk houdt echte oorzaak van het pensioentekort geheim

Pensioenfondsen hebben nu te weinig reserves. Hoe komt dat? Minister Kamp zegt dit niet te weten. Onzin, betogen Bernard M. S. van Praag en Ekko Smith. De gegevens zijn er, maar blijven geheim.

Hoe komt het dat minstens 80 pensioenfondsen hun toezeggingen niet kunnen nakomen en op de uitkering moeten korten omdat ze te weinig reserves hebben? Vele factoren zijn de revue gepasseerd. Zo worden de tekorten geweten aan de vergrijzing, aan de beurscrises, aan de eurocrisis, aan de lage rentevoet en aan het oplopende langlevenrisico. Ongetwijfeld zullen deze zaken hebben bijgedragen aan het tekort aan reserves, maar één factor wordt nadrukkelijk buiten de discussie gehouden: is er een aantal jaren – en misschien nog steeds – te weinig premie naar de fondsen gevloeid? En zijn er ook terugstortingen gedaan naar de werkgever?

Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt (CDA) heeft onlangs aan minister Kamp (Sociale Zaken, VVD) gevraagd om eens per pensioenfonds duidelijk te maken welke terugstortingen er zijn gedaan tussen 1985 en 2005.

De minister heeft eerst gesteld dat deze vraag om juridische redenen niet kon worden beantwoord. In tweede instantie zei hij dat er juridisch geen beletselen waren, maar dat de kwaliteit van de administraties van de fondsen een antwoord niet zouden toelaten.

Kortom, de minister heeft er weinig zin in. Dit kunnen wij ons ook best voorstellen. Hij wil graag het deksel op de pot houden. Je staat sterk als je als minister het monopolie op deze informatie hebt.

Als ambteloos burger ben ook ik niet in staat Omtzigt te helpen op fondsniveau. Toch wil er zo nu en dan weleens een snipper onbedoelde informatie opduiken, als je overgaat tot close reading van overheidsstukken. Het gaat om macrocijfers voor alle pensioenfondsen bij elkaar en het betreft alleen de premiekortingen. De terugstortingen worden bij gebrek aan gegevens niet in beschouwing genomen.

Het Centraal Economisch Plan (CEP) van 2003 licht een tipje van de sluier op. Daar lezen wij het volgende: „In de tweede helft van de jaren negentig leidde het hoge aandelenrendement tot een zodanig goede vermogenspositie bij vele pensioenfondsen dat pensioenpremies onder kostendekkend niveau werden vastgesteld. Echter, de PVK (de Pensioen- & Verzekeringskamer, waarvan de taken later zijn overgenomen door De Nederlandsche Bank) heeft er vorig jaar op gewezen dat pensioenpremies in principe kostendekkend dienen te zijn. In 2001 lagen de pensioenpremies volgens de PVK in totaal zo’n 5 miljard euro onder kostendekkend niveau.”

Verder speurend in het CEP van 2008 en 2010 vind je dat er in 2001 17,7 miljard euro aan premie werd betaald. Als we dan lezen in het CEP van 2003 dat er in 2001 vijf miljard euro te weinig is afgedragen, dan is er maar één conclusie mogelijk. De kostendekkende premie zou in het jaar 2001 22,7 miljard euro zijn geweest. De premie was in 2001 dus gekort met circa 22 procent. De kostendekkende premie zou in dat jaar 14,5 procent van de brutoloonsom zijn geweest. Hiervan uitgaande bleek in 1995 zelfs 44 procent te zijn gekort op de premie.

We nemen aan dat het percentage voor een kostendekkende premie tussen 1995 en 2002 in dezelfde orde van grootte zal zijn geweest. Uiteraard hebben deze feestelijke premiereducties een effect gehad op de stand van de macroreserves van nu. Uitgaande van andere cijfers uit publicaties van het Centraal Planbureau komen de geaccumuleerde en opgerente verliezen van te weinig betaalde premies ultimo 2011 uit op circa 100 miljard euro in totaal.

De beleggingen van pensioenfondsen bedroegen aan het eind van het derde kwartaal van 2011 volgens De Nederlandsche Bank circa 800 miljard euro. Die hadden bij prudent beleid tussen 1995 en 2003 zo’n 100 miljard euro hoger gelegen. De macrodekkingsgraad zou dan zijn uitgekomen op circa 112 procent. Bij de meeste fondsen had er dan geen kortingsdreiging bestaan. Het zou nog gunstiger zijn geweest als er geen terugstortingen hadden plaatsgehad.

We kunnen dus niet anders dan concluderen dat dit happy, go lucky-beleid, gestimuleerd door de Wet brede herwaardering, onze pensioensituatie zeer nadelig heeft beïnvloed. Een ander punt ter overdenking is dat deze analyse is gebaseerd op officiële, gepubliceerde stukken. Waar zou de PVK de schatting over de te weinig betaalde premie vandaan hebben? Dit kan toch alleen zijn uit microcijfers, die nu moeten liggen bij De Nederlandsche Bank, haar rechtsopvolger als toezichthouder? Ditzelfde zou toch ook moeten gelden voor cijfers over de terugstortingen aan de werkgevers? Of heeft DNB deze data weggegooid bij de verhuizing uit Apeldoorn? Er is nog hoop voor een waarheidsgetrouwe beantwoording van de motie-Omtzigt. De data moeten er zijn.

Bernard M. S. van Praag is emeritus universiteitshoogleraar economie aan de Univerisiteit van Amsterdam. Ir. Ekko Smith was adviseur civiele techniek bij ingenieursbureau Haskoning. Zie de site mejudice.nl voor een uitgebreide versie van dit artikel.

    • Ekko Smith
    • Bernard M. S. van Praag