Oerbos weer in elkaar gepuzzeld

Een vulkaanuitbarsting bedolf 300 miljoen jaar geleden een compleet bos onder een dikke laag as. Versteende boomstammen, takken en bladeren verraden nu waar elke plant groeide.

Hester van Santen

Zo zag een tropisch regenwoud er 298 miljoen jaar geleden uit, in het vroege Perm. De resten van het bos zijn gevonden in een Chinese steenkoolmijn, in een laag versteende vulkanische as. Een vulkaanuitbarsting heeft bomen, varens en andere planten er snel bedolven en uitstekend bewaard, net zoals in historische tijden met de stad Pompeii gebeurde.

Chinese en Amerikaanse paleobiologen beschrijven het bos vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. „We zagen de zwarte bladeren en takken duidelijk afsteken tegen de witte steen”, vertelt paleobotanicus Hermann Pfefferkorn van de University of Pennsylvania. „Kleine omgevallen boomstammen vonden we soms in hun geheel. En veel takken met nog bladeren of kegels eraan. Het is heel bijzonder dat we hier konden zien welke plant wáár heeft gestaan.”

Het was een moerasbos, waarvan de ondergrond uit hoogveen bestaat – een soort landschap dat nu nog op sommige plekken in de tropen voorkomt. Het veen was permanent bedekt met een paar centimeter zoet water. De vindplaats in wat nu Binnen-Mongolië is, maakte 300 miljoen jaar geleden onderdeel uit van een warm eiland, half zo groot als Australië. In dit soort bossen leefden schorpioenen, kakkerlakken, duizendpoten van meer dan een meter lang, en al even grote reuzensalamanders.

Omdat een groot oppervlak aan bos bewaard is gebleven (drie stroken, met een oppervlak van in totaal 1.000 vierkante meter) waren nog duidelijk de open plekken in het bos te herkennen, de plaatsen waar veel ondergroei was of waar juist grote bomen domineerden. Elders komen de meeste fossiele bomen en planten uit losse brokken steenkool. Dan is de structuur van de vegetatie niet meer te zien. Pfefferkorn: „Er zijn wel een paar andere goed bewaarde bossen uit deze periode, maar die komen niet uit China en dat is ook geen veenbos.”

Voor kenners van flora uit het Perm en het Carboon zal de tekening bekend ogen. De soorten die in de Chinese opgraving gevonden zijn, lijken op die van tropische bossen uit die periode in Europa en Noord-Amerika (destijds één continent). De hoge bomen zijn Sigillaria, een uitgestorven, boomvormige wolfsklauwsoort. De bomen waren ongeveer 25 meter hoog. Onder hun smalle bladerpluim hangt een tros kegels. De boomvarens, 10 tot 15 meter hoog, vullen het bladerdak op het lagere niveau.

Het was paleobotanici eerder opgevallen dat, hele continenten uiteen, vegetaties uit het Carboon en Perm toch vrij veel op elkaar lijken. Een expert ziet meteen: ah, Perm. De belangrijkste oorzaak, aldus Pfefferkorn, is dat vrijwel alle bomen en planten zich destijds via sporen verspreidden, waardoor ze via de lucht grote afstanden konden overbruggen.

En toch heeft deze Chinese flora unieke kenmerken. Zoals het lage bladerdek met alleen de hoge Sigillaria’s als überständer – Pfefferkorn is een Duitser.

Maar de grootste verrassing uit de studie die zeven jaar in beslag nam: „Nergens anders vinden we een flora waar lokaal Noeggerathiales dominant zijn.” Het zijn de lage ‘palmbomen’ middenvoor op de tekening, met twee kronen van smalle bladeren waartussen een tros van kegels hangt. Deze zustergroep van de varens (voor het eerst beschreven door de Duitse geoloog Johann Jacob Nöggerath) is nog slecht onderzocht, omdat ze in de flora van Europa en Noord-Amerika maar sporadisch voorkomen.

De vindplaats bestaat inmiddels niet meer. Op en onder de versteende as (tufsteen) bevonden zich winbare lagen steenkool. „Wij mochten de tufsteen zelf met bulldozers weghalen om het te onderzoeken – de mijnbouwers hebben zelfs nog even op ons gewacht. Meestal eindigt zulk tufsteen uit een kolenmijn op de afvalberg.”

    • Hester van Santen