Nog 7 blokken en je bent er

Het strakke stratenplan van New York was 200 jaar geleden revolutionair en is dat nog steeds. Wat kan je daar als toerist mee?

Lynn Berger

Het telt ruim tweehonderd straten, elf avenues en duizenden hoeken waarop het verkeer voortdurend vastloopt. Het wordt bewonderd door toeristen vanaf wolkenkrabbers en helikopters, maar op de grond verguisd om zijn monotonie en voorspelbaarheid. Het is overzichtelijk en toegankelijk voor bezoekers van buitenaf, en voor wie blijft, wordt het al snel een alternatieve eenheid voor tijd en plaats: ‘nog zeven blokken en ik ben er’; ‘ik zie je op de hoek van 45 en 5’.

Het stratenplan van New York, het grid, bestaat tweehonderd jaar, en lokt al net zo lang extreme reacties uit. De bedenkers van het plan werden door hun tijdgenoten ofwel geprezen om hun rationaliteit, ofwel beschuldigd van grootheidswaanzin. Voor de schrijver Henry James was het rooster ‘de primaire topografische vloek’; Piet Mondriaan liet zich erdoor inspireren voor zijn beroemde schilderij Broadway Boogie Woogie. Met de tentoonstelling The Greatest Grid: The Master Plan of Manhattan 1811-2011, staat het Museum of the City of New York stil bij de geschiedenis van dit beroemde en controversiële project.

Aan het begin van de negentiende eeuw telde Manhattan nog geen honderdduizend inwoners, was de bebouwde kom beperkt tot de zuidpunt van het eiland, en bestond het verder hoofdzakelijk uit platteland en wildernis. Maar de havenstad groeide rap – tussen 1790 en 1810 alleen al verdrievoudigde de bevolking – en grondbezitters raakten steeds vaker met elkaar in conflict. Er was een plan nodig om de groei in goede banen te leiden en het land zo efficiënt mogelijk te verdelen. In 1807 werd een commissie in het leven geroepen die vier jaar later haar plan presenteerde, in de vorm van een tweeënhalve meter lange kaart waarop de jonge ingenieur John Randel het New York van de toekomst had uitgetekend.

De kaart, die bekend kwam te staan als The Commissioners’ Plan, is onderdeel van The Greatest Grid. Zo ziet het eruit wanneer je een hokjesgeest projecteert op de weerbarstige werkelijkheid: gearceerde heuvels, bossen en moerassen, in stippellijn weergegeven kronkelstraatjes, en daaroverheen een ruitjespatroon: elf loodrechte avenues lopen van noord naar zuid, en ontmoeten op hun weg 155 straten die loodrecht van oost naar west lopen. Hoe anders zien de plattegronden eruit van Europese steden, organisch uitgewaaierd rondom een stadskern of, zoals in het geval van Parijs, rijk aan diagonale boulevards, rotondes, pleinen en parken. Het grid was een creatie, schrijft conservator Hilary Ballon in de bijbehorende catalogus: er was niets vanzelfsprekends, niets natuurlijks aan.

Het raster is geen uitvinding van de negentiende eeuw. De Griekse architect Hippodamus van Milete noemde het grid al in de vijfde eeuw voor Christus de ‘ultieme manifestatie van rationaliteit en beschaving’, en met een beetje fantasie zou je in de Amsterdamse grachtengordel een grid-in-een-boog kunnen zien. In Amerika waren Philadelphia en Savannah New York al voor geweest: ook die steden rolden zich uit als beslag in een wafelijzer. Het paste de jonge republiek: een grid was sober, efficiënt en pragmatisch. ‘Huizen met rechte gevels en rechte hoeken zijn het goedkoopst om te bouwen en het handigst om in te wonen’, schreven de commissieleden in 1811 – in een democratisch, verlicht en rationeel land als Amerika hoorden diagonalen, cirkels en ovalen simpelweg niet thuis.

Wat New York zo bijzonder maakte, was de rigoureuze interpretatie van het grid: alleen de diagonaal van Broadway doorbreekt het ijzeren ritme. De verademing die Central Park nu biedt, is een latere toevoeging. Ook opvallend was de toekomstvisie die uit het plan sprak: zoals de commissie zelf al aangaf, bood het genoeg ruimte om ‘een populatie die groter is dan enige andere populatie aan deze kant van China’ te huisvesten. Tijdgenoten noemden het plan grandioos, en dat was geen compliment; maar wat in 1811 wilde speculatie had geleken, bleek in 1860 een conservatieve inschatting. De commissie rekende op 400.000 inwoners in 1860: het werden er 800.000. Inmiddels is dat aantal verdubbeld, en zijn de 155 straten uit het originele plan er 221 geworden.

Om het plan uit te voeren, werden letterlijk bergen verzet. Het grid was de grote gelijkmaker: om de topografie van het eiland te temmen, werden heuvels gehalveerd en valleien opgevuld. In The Greatest Grid is een litho opgenomen uit 1861 van een huis op de hoek van wat later 2nd Avenue en 42nd street zou worden: de straten zijn al uitgegraven, maar het omringende landschap nog niet, en het huis staat eenzaam en fragiel op de overgebleven helling. Huizen, landerijen en natuurgebieden, allemaal moesten ze wijken voor het stratenplan: deze ‘prachtige plekken’ werden door ‘de geest der Vooruitgang vermorzeld’, klaagde de dichter Walt Whitman omstreeks 1840. Maar het grid was ook een gelijkmaker op een andere manier: voor wie een huis wilde kopen, stonden de dimensies in principe vast, ieders perceel was precies even groot.

In de loop van de twintigste eeuw werd Manhattan van een nieuwe topografie voorzien. Het eiland werd langzaam maar zeker volgebouwd, en in Midtown en Lower Manhattan verrezen de eerste wolkenkrabbers, gezamenlijk goed voor de skyline: wie nu vanaf Brooklyn of New Jersey naar Manhattan kijkt, ziet een heuvellandschap van glas, steen en staal.

The Greatest Grid bestrijkt niet alleen het verleden, maar ook het heden en zelfs de toekomst van het stratenplan, met futuristische ontwerpen voor het Manhattan van de eenentwintigste eeuw. Eigenlijk is het grid altijd een projectie geweest: eerst van de stadplanners die het op de wildernis van Manhattan projecteerden, en, eenmaal gebouwd, van voor- en tegenstanders die het als symbool zagen van rationaliteit, vooruitgang, destructie, speculatie of regulering. In de jaren zeventig van de vorige eeuw bezong de Nederlandse architect Rem Koolhaas het grid in zijn boek Delirious New York: het was juist de vaak zo verguisde uniformiteit van het grid die had aangezet tot gevarieerde, creatieve architectuur. Voor criticus John Kouwenhoven was Manhattan de stedebouwkundige versie van jazzmuziek: het grid is als een beat die altijd doorgaat, zodat de gebouwen als solo’s volop kunnen improviseren en experimenteren. Misschien is dat wel de belangrijkste eigenschap van het stratenplan: dat het al tweehonderd jaar zoveel verschillende verhalen tegelijkertijd vertelt, voortdurend, en aan iedereen.

Tentoonstelling

The Greatest Grid: The Master Plan of Manhattan, 1811-2011.

T/m 15 juli in The Museum of the City of New York. www.mcny.org

    • Lynn Berger