Niet dus

Job Cohen voelde zich totaal niet thuis in de twitterdemocratie. Als oppositieleider was hij ongeschikt. Wilders zal hem enorm missen.

Politiek redacteur

En hoe nu verder, PvdA (en PVV)?

Een klassieke politieke wet wil dat sterke

leiders hun partij met een zwakke opvolger opzadelen, en zwakke leiders ruimte voor een krachtige opvolger achterlaten. Zo bezien gaat de PvdA een schitterende periode tegemoet.

Want neen – ondanks de sympathiebetuigingen die gisteren na het vertrek van Job Cohen als PvdA-leider massaal loskwamen, werd hij in Den Haag en zijn partij beschouwd als zwakke voorman. Hij was integer. Hij was authentiek. Hij acteerde niet. Hij deed geen valse beloften. Hij verkoos verantwoordelijk gedrag boven alledaagse demagogie. Allemaal waar. Maar het probleem van Cohen was groter dan alleen een man die, zoals dat gisteren werd gezegd, de „moderne mediawerkelijkheid” van het flitsnieuws niet aankan. Hij had ook een matig ontwikkeld strategisch vernuft. En hij kwam in 2010 op relatief late leeftijd (63) naar Den Haag vanuit een functie – het burgemeesterschap van Amsterdam – „waarin je verinnerlijkt dat je boven de partijen moet staan”, zegt Ed van Thijn, een van zijn voorgangers in de hoofdstad. „Iets heel anders dan Haagse strijd.”

Zelden kon hij verbergen hoezeer hij neerkeek op het theater van collega-politici in Den Haag. Met dat lange, onhandige lijf en die zware winterjas sprak hij de lichaamstaal van de bestuurder die zich nooit zou lenen voor een of ander nummertje. Hij had geen belangstelling voor de interruptiemicrofoon. Hij wilde helemaal niet bij de interruptiemicrofoon zijn. Hij verfoeide dat ding.

Nog vorige week, toen concurrenten als Pechtold (D66) en Sap (GroenLinks) verontwaardiging etaleerden omdat premier Rutte geen afstand nam van het PVV-meldpunt inzake Oost-Europa, kwam volmaakt in beeld dat Cohen niet in staat was oppositieleider te spelen. Hij liet alle sprekers voorgaan. Zelfs de SGP was geweest toen hij het woord nam. Alle argumenten waren gewisseld, Rutte hield voet bij stuk, de spanning was uit het debat, en daar was dan de oppositieleider – dominee doet dagsluiting na middernacht.

Job Cohen (1947) kwam in Den Haag niet alleen in de verkeerde rol terecht, hij vertegenwoordigt ook een mentaliteit die aan het uitsterven is. Job Cohen kan zich wegcijferen. Voor hem is zelfopoffering van een totale logica. Hij heeft altijd dingen voor anderen gedaan. Hij is de zoon van door de oorlog getekende historici. Een briljante student (rechten) die als vanzelf een eigen academische carrière inrolde. In het corps in Groningen was hij zo’n jongen die het nederige werk van de samenstelling van de studentenalmanak op zich nam. Hij klom op tot rector magnificus van de universiteit van Maastricht en liet zich in 1993 voor een tijdelijk baantje, één jaar staatssecretaris van Onderwijs, naar Den Haag halen. Zonder morren legde hij zich daarna neer bij een vertrek uit het landsbestuur, om vier jaar later nog maar eens een ondankbare taak op zich te nemen: staatssecretaris van Justitie, belast met Vreemdelingenzaken (1998-2000). Een ellendige portefeuille. In dit geval helemaal. De PvdA had de gecompliceerde omweg van een nieuwe Vreemdelingenwet nodig om zichzelf te overtuigen dat de partij in de eerste helft van de jaren negentig te coulant was bij toelating van nieuwe asielzoekers. Toen ook die klus was geklaard, volgde in 2000 dan eindelijk een grote beloning: Cohen werd burgemeester van de republiek Amsterdam.

Mensen die hem daar meemaakten, vertellen met ontzag over zijn vermogen om „uit zichzelf te stappen”. Ook Cohens bloed kookt soms over. Ook hij heeft antipathieën. Ook hij denkt soms: geen zin in die receptie. „Maar hij schakelde dat zonder moeite uit en presenteerde zich gewoon weer als de kalme en prettige Job”, zegt een toenmalige vertrouweling.

Het is het theater van de goede zeden, van de overtuiging dat de maatschappij alleen functioneert als iedereen een beetje inschikt. Niet het theater van de scoringsdrift en de egomanie. Achter zijn pose gaat wel degelijk een man met grote mentale hardheid schuil. De manier waarop hij zijn extraverte korpschef in de hoofdstad, Bernard Welten, jarenlang kort hield, was puur bestuurlijke repressie, zegt de vertrouweling. „Charmant van buiten en hard van binnen.”

Dat hem in 2010 de kwaliteiten van minister-president werden toegedicht, was dus volkomen logisch. Maar Van Thijn, die in 1994 ook de overstap van het Amsterdamse burgemeesterschap naar Den Haag maakte om de PvdA te redden, zag in de campagne meteen wat er misging. De twitterdemocratie, de routine van de demagogische uithaal, optreden in leuke tv-programmaatjes, strijd binnen de partij: Cohen had er niets mee. „Het is een te grote stap voor een burgemeester van Amsterdam”, zegt Van Thijn. „Je komt in een totaal andere wereld terecht.”

Tegelijk schoot Cohen ook zelf tekort. Zijn keuze om het kabinet-Rutte te steunen inzake de euro was voor de premier een daad van groot verantwoordelijkheidsbesef. Typisch de opofferingsgezindheid van Cohen. Maar het ontbrak de PvdA-leider aan het inzicht er iets voor terug te vragen. Het resultaat was dat Wilders hem moeiteloos kon aanvallen („bedrijfspoedel van het kabinet”), terwijl Rutte zich niet gedwongen voelde Cohen te beschermen op de manier waarop hij Wilders geregeld uit de wind houdt.

Hetzelfde gebrek aan leepheid speelde toen Cohen rond Nieuwjaar een hardere oppositie tegen Rutte aankondigde, maar tegelijk steun aan de euro toezegde. Zo committeerde de oppositieleider zich aan de omvang van de bezuinigingen waarover de coalitie in maart beslissingen neemt, zodat hij op voorhand een kans verspeelde te profiteren van de komende weerstand tegen het kabinet.

Met het vertrek van Cohen komt vermoedelijk een einde aan dit politiek-strategische gestoethaspel. Het speculeren over een opvolger begon gisteren nog voordat Cohen zijn vertrek officieel maakte. Maar wie het ook wordt (het antwoord komt half maart): de kans is klein dat het gemak waarmee Rutte – en vooral Wilders – profiteerden van Cohens opofferingsgezindheid, zich onder de nieuwe PvdA-leider opnieuw voordoet. De les van de mislukking van Cohen is dat verantwoordelijkheidsbesef niet werkt in de bestrijding van grote woorden en demagogie. Dus na Cohen wordt Den Haag een stad van nog meer grote woorden, en nog meer demagogie.

Commentaar: pagina 17

    • Tom-Jan Meeus
    • Stijn Bronzwaer