Mijn Mol-theorieën

Onderweg naar Breda neem ik mezelf voor om er niets over te zeggen. Dat doet iedereen al, ongetwijfeld. Ik ga mijn mond houden. Bovendien moet ik hem dan aanspreken op iets wat zijn vrouw doet en dan zal je net zien dat ik die ene Facebook-statusupdate heb gemist waarin hij ‘getrouwd met’ veranderd heeft in ‘het is moeilijk’.

En toch. Zodra ik backstage ben op het schrijversfestival begin ik tegen de andere schrijvers te sissen. Wist je dat onze presentator van zo meteen getrouwd is met Liesbeth, die van Wie is de Mol? En dat ze vast de Mol is? Mijn medeschrijvers blijken minder bekend met Wie is de Mol? Ik probeer ze te enthousiasmeren, vertel dat Frits Huffnagel, ‘jeweetwel, die VVD-gast die altijd net even te streetwise doet bij Pauw & Witteman?’, niet zo’n klein beetje overmand werd door emoties toen hij een rood scherm kreeg en eruit vloog, maar dat hij niet meer kon praten van verdriet.

Waarom moest hij huilen?, zegt iemand. Hij weet toch zelf ook dat hij niet de Mol is?

Nevermind. Ik heb altijd net iets te hoge verwachtingen van hoe geïnteresseerd mensen in mijn Mol-theorieën zijn. Het debat gaat prima. Op het podium naast me zit een vrolijke Roemeense schrijfster die in een Kill Billgeel mantelpakje een kort verhaal voorleest over meisjes zonder vagina. Va-GI-na, zegt ze. Het is haar eerste Nederlandse boek. We raken in een onhandig debat over autobiografische fictie. Zij zegt : „Ik ben een vrouw, ik ben moeder, ik heb een vagina, ik bloed – daar schrijf ik over.”

Oh God, denk ik, laat het alsjeblieft niet verfilmd worden.

En ondertussen kijk ik de hele tijd naar onze presentator, die het weet. Ik zie het aan hem. Hij weet het, van de Mol, ik heb een brandend verlangen, maar zeg niets. In een interview in Esquire vertelde Robert Duvall dat nog steeds, bijna wekelijks, mannen naar hem toe komen en zeggen „I love the smell of napalm in the morning.” Ze zeggen het zachtjes, zei Duvall, alsof het iets is tussen hem en hen alleen, alsof ze aan een gedeeld geheim refereren.

Pas als ik mijn jas aan heb, loop ik weer tegen hem aan, in de deuropening. Ik zeg doei, geef hem een hand en blijf net even te lang hangen. Ik zeg het zonder dat ik er zelf erg in heb: „Hoe gaat het nou met zo’n Mol thuis? Is bij jullie het geld ook altijd weg?”

Er lijkt vluchtig iets betrapts in zijn gezicht af te lezen, maar dat kan ook gewoon teleurstelling zijn.

    • Joost de Vries